I

Dominicus diep voorover gebogen biddend voor het kruisbeeld.
"Al wie zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal
verheven worden." - "Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te
dienen." - "De laatsten zullen de eersten zijn."
De gekruisigde is de verhevene.
De weerloze overmacht van de liefde die het kwaad weerstaat.
Overgave aan de algoede vader ook in uiterste doodsnood en verlatenheid.
Dominicus identificeert zich met de gekruisigde Jezus. Hij is voor hem de
weg, de waarheid en het leven.
II Dikwijls bad Dominicus volledig uitgestrekt op de grond, plat ter aarde.
In psalm 43 staat: "Mijn ziel is vernederd tot in het stof, mijn lichaam
vastgemaakt aan de grond." En psalm 118: "Mijn ziel is aan de grond
geketend, mijn God, geef mij het leven terug volgens uw woord."
En nog: "Ik ben geen mens meer, maar een worm" (ps. 22).
Je geeft je over, je bent overgave. Alles uit jouw handen in Gods handen.
Wat met je gebeurt, gaat niet meer vanuit jouw kracht. Het gaat van buiten
je, het overschaduwt je, en je laat het gebeuren. En God richt je op en
gaat de weg mee die je nog moet afleggen. Je bent niet alleen.
III Dominicus geselt zich met een ijzeren ketting.
Een middeleeuws gebruik in
de kloosters.
Nu wordt het lichaam niet meer op deze wijze gekastijd. Dolorisme is uit
den boze. Neen, geen geseling maar wel streling. Het lichaam wordt nu
verheerlijkt en verwend. Het moet mooi, jong en sterk zijn.
Maar deze wereld kent miljoenen ondervoede mensen, vooral kinderen.
Lichamen als levende geraamten. Of gefolterde lichamen. Geslagen en
gekwetste lichamen. Vertrapte lichamen. Dode lichamen als wegwerpartikelen
achteloos in massagraven gegooid. Of geschonden lichamen door TBC, aids,
kanker en lepra.
Ooit onverwacht, onaangekondigd, onvoorbereid, ongezocht, krijgen we ons
kruis te dragen, in tijd, in plaats, in omvang, ons onbekend, te groot in
onze ogen, te zwaar voor ons gemoed, beangstigend, onvermijdelijk, en we
zullen er mee op weg moeten gaan. Onze eigen weg. Stap voor stap. Dan kan
alleen liefde en vertrouwen redding brengen.
IV

Knielend en rechtstaand bad Dominicus: Heer, als u wilt kunt u mij genezen.
Jezus stak zijn hand uit naar de melaatse en raakte hem aan. Het was een
uitnodiging om er terug bij te horen. Dit is een verhaal van Gods nabijheid
en verbondenheid met alle mensen. Het Rijk van God staat open voor alle
mensen. God wil ons allen aanraken, hij strekt zijn hand vol liefde uit
naar ons. Laten we ons aanraken door Jezus? Willen we genezen worden van
onze angsten? 'Heb vertrouwen, vrees niet' is het steeds weerkerend refrein
in de Blijde Boodschap.
Als mensen zijn we eigenlijk allemaal even kwetsbaar. De scheidingslijn
tussen ziek en gezond, tussen arm en rijk, tussen gelukkig en ongelukkig is
heel broos. In elke mens huist het beeld van God, daarom verdient elke mens
eerbied en respect. Zijn ook wij bereid om de hand uit te steken naar
mensen die uit de boot vallen? Zijn we mensenvissers? Durven we hen in de
ogen kijken en hen aanraken of hebben we schrik van van hen?
Laten we in de geest van Dominicus vragen: Heer, als u wilt kunt u mij
genezen.
V Rechtstaand zonder steun, de handen uitgestoken, vroeg Dominicus: Heer,
leer ons bidden.
Bidden zet ons aan het geloof te beleven in tekens die kracht uitstralen,
de liefde te uiten in opbeurende daden, hoop uit te spreken in bemoedigende
woorden en ons berouw te verwoorden in uitdagende voornemens. De
indringende kracht van het gebed werkt geleidelijk op heel ons mens-zijn
in: gevoel en hart, verstand en ziel.
Bidden is echter nooit evident. Bidden gaat niet vanzelf omdat het er niet
op aankomt veel te doen, maar een bepaalde houding aan te nemen: ons
openstellen voor God. Het gaat om een houding van geloof en overgave
waardoor we met hem op weg gaan naar de overkant en naar de binnenkant van
onszelf. Dat vergt stilte, aandachtig en geduldig luisteren en wachtend
uitzien naar wat hij met ons van plan is.
VI
Rechtstaand met open handen, de armen gestrekt in de vorm van een kruis,
smeekte Dominicus: Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeekbeden.
Velen zien het smeekgebed als een minderwaardig of een primitief gebed. Is
dat zo? We beseffen wel dat er onvolwassen vormen bestaan van smeekgebed.
Dan wordt God tot een stoplap die alles vanzelf moet oplossen. Dan wil de
mens het met God op een akkoordje gooien. Maar hoeft dat echt zo te zijn?
Zou het niet kunnen dat we als moderne westerlingen eerder wat te weinig
durven vragen in ons gebed? Doen wij dat nog wel? Echt iets afsmeken? Onze
nood klagen? Pleiten voor mensen in miserie? Men hoorde Dominicus dikwijls
in zijn nachtelijk gebed wenend roepen: Wat zal er van de zondaars
geworden?
Jezus moedigde mensen aan om vragen te stellen. Hij eiste onwankelbaar
vertrouwen, ja zelfs 'vrijpostigheid: "Vraag, en jullie zal gegeven
worden." Geen materiële dingen, maar de Heilige Geest, zoals staat in Luc
11. Dan kunnen we vertrouwen op verhoring. Als God werkelijk de liefde van
de Heilige Geest nabij brengt, rest er maar één vraag: dat de aarde steeds
meer die liefde herkent. Dat God voor alle mensen een Vader, Abba, mag
zijn.
VII Soms zag men Dominicus zich in heel zijn lengte naar de hemel richten. Hij
verhief zijn gestrekte handen hoog boven zijn hoofd, zo hoog mogelijk.
Zoals in psalm 141: "Heer ik roep op u, verhoor me, luister naar mijn stem
wanneer ik u aanroep. Dat mijn gebed moge opstijgen tot u als geurende
wierook en de verheffing van mijn handen als een avondoffer moge zijn."
Met geheel zijn wezen wou Dominicus zich laten raken door God. God zoekt
naar ons. Wil ons ontmoeten. Zonder dwang. Hij dringt zich niet op. Wij
moeten in alle vrijheid naar hem toegaan. Open staan voor zijn
aanwezigheid. Geloven en bidden kunnen we niet uit eigen kracht. Ons
geloven, ons bidden, smeken en roepen zijn antwoord op Gods liefdesaanbod.
VIII Dominicus bad met de bijbel.
Hij stond hiermee in een lange traditie van
het monastieke leven. De bijbel: woord van mensen, woord van God.
Getuigenis van Gods geschiedenis met de mens. Een geschiedenis van heil en
onheil, trouw en ontrouw, zonde en barmhartigheid.
Ook de psalmen die Jezus zelf als vrome Jood zoveel gebeden heeft, staan
vol tederheid en vloekwoorden, vol lofprijzing en dank en vol boosheid,
woede, ontgoocheling, eenzaamheid. Alle menselijke gevoelens tegenover God
en tegenover de medemens vinden we in de psalmen. De mens bidt zoals hij
is. Met zijn goedheid en zijn slechtheid. Hij staat eerlijk voor God. Hij
legt zijn leven open voor God. Bidden met de bijbel is op de eerste plaats
lectio: lezing. Lezen van de tekst met aandacht en eventueel met
commentaar van specialisten om te weten wat er staat en hoe het er staat en
zo beter te begrijpen wat de tekst bedoelt te zeggen. Dan volgt de
meditatio. Mediteren om zich door de gelezen en beluisterde tekst te
laten raken. Om het op ons eigen leven te leggen. Om het woord tot leven te
brengen in hart en handen. Tenslotte is er de oratio, het eigenlijke
gebed. Met of zonder woorden. Dankbaar vertoevend in Gods aanwezigheid.
IX Dominicanen worden met een Latijnse woordspeling
Domini canes
genoemd, honden van de Heer. Straathonden! Blaffend tegen de ketters,
zeggen sommigen. Dominicus heeft zich echter nooit gemengd in het
strijdgewoel om de Katharen. Een kruistocht, door de paus bevolen, om de
ketters te bestrijden te vuur en te zwaard. Dominicus heeft nooit met dwang
en geweld het christelijk geloof opgedrongen. Wel met overredingskracht.
Maar in dialoog, zoals met de waard van de herberg in Toulouse. Of in de
dagenlange publieke disputen.
Hij wou zoals Jezus rondtrekkende prediker zijn. In totale armoede.
Bedelend om in leven te blijven.
Maar de laatste gebedswijze drukt uit dat hij op reis met confraters een
man van gebed bleef. Het gezamenlijk gemeenschapsgebed onderweg of in een
of andere kapel of kerk was voor hem elementair. Als christenen samen
bidden, zien ze elkaars geloof. Dan stellen we ons samen in medemenselijke
liefde voor God. Dan voelen we ons samen verantwoordelijk voor onze
gemeenschappelijke roeping: het woord Gods, de levende verrezen Jezus
Christus te verkondigen, in woord en daad, tot heil van de wereld.