D


ominicaanse familie Vlaanderen


 
  Activiteiten 2006  
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug
 


Bidden met dominicus

De algemene vergadering van 25 februari werd afgesloten met een bezinning, voorbereid door de groep Genk, over 'Dominicaans bidden', aan de hand van de 'NEGEN GEBEDSWIJZEN VAN DOMINICUS'.


I

Dominicus diep voorover gebogen biddend voor het kruisbeeld.
"Al wie zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden." - "Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen." - "De laatsten zullen de eersten zijn."
De gekruisigde is de verhevene.
De weerloze overmacht van de liefde die het kwaad weerstaat.

Overgave aan de algoede vader ook in uiterste doodsnood en verlatenheid.
Dominicus identificeert zich met de gekruisigde Jezus. Hij is voor hem de weg, de waarheid en het leven.

II Dikwijls bad Dominicus volledig uitgestrekt op de grond, plat ter aarde.
In psalm 43 staat: "Mijn ziel is vernederd tot in het stof, mijn lichaam vastgemaakt aan de grond." En psalm 118: "Mijn ziel is aan de grond geketend, mijn God, geef mij het leven terug volgens uw woord."
En nog: "Ik ben geen mens meer, maar een worm" (ps. 22).

Je geeft je over, je bent overgave. Alles uit jouw handen in Gods handen. Wat met je gebeurt, gaat niet meer vanuit jouw kracht. Het gaat van buiten je, het overschaduwt je, en je laat het gebeuren. En God richt je op en gaat de weg mee die je nog moet afleggen. Je bent niet alleen.

III Dominicus geselt zich met een ijzeren ketting.
Een middeleeuws gebruik in de kloosters.
Nu wordt het lichaam niet meer op deze wijze gekastijd. Dolorisme is uit den boze. Neen, geen geseling maar wel streling. Het lichaam wordt nu verheerlijkt en verwend. Het moet mooi, jong en sterk zijn.
Maar deze wereld kent miljoenen ondervoede mensen, vooral kinderen. Lichamen als levende geraamten. Of gefolterde lichamen. Geslagen en gekwetste lichamen. Vertrapte lichamen. Dode lichamen als wegwerpartikelen achteloos in massagraven gegooid. Of geschonden lichamen door TBC, aids, kanker en lepra.
Ooit onverwacht, onaangekondigd, onvoorbereid, ongezocht, krijgen we ons kruis te dragen, in tijd, in plaats, in omvang, ons onbekend, te groot in onze ogen, te zwaar voor ons gemoed, beangstigend, onvermijdelijk, en we zullen er mee op weg moeten gaan. Onze eigen weg. Stap voor stap. Dan kan alleen liefde en vertrouwen redding brengen.

IV

Knielend en rechtstaand bad Dominicus: Heer, als u wilt kunt u mij genezen.

Jezus stak zijn hand uit naar de melaatse en raakte hem aan. Het was een uitnodiging om er terug bij te horen. Dit is een verhaal van Gods nabijheid en verbondenheid met alle mensen. Het Rijk van God staat open voor alle mensen. God wil ons allen aanraken, hij strekt zijn hand vol liefde uit naar ons. Laten we ons aanraken door Jezus? Willen we genezen worden van onze angsten? 'Heb vertrouwen, vrees niet' is het steeds weerkerend refrein in de Blijde Boodschap.

Als mensen zijn we eigenlijk allemaal even kwetsbaar. De scheidingslijn tussen ziek en gezond, tussen arm en rijk, tussen gelukkig en ongelukkig is heel broos. In elke mens huist het beeld van God, daarom verdient elke mens eerbied en respect. Zijn ook wij bereid om de hand uit te steken naar mensen die uit de boot vallen? Zijn we mensenvissers? Durven we hen in de ogen kijken en hen aanraken of hebben we schrik van van hen?
Laten we in de geest van Dominicus vragen: Heer, als u wilt kunt u mij genezen.

V Rechtstaand zonder steun, de handen uitgestoken, vroeg Dominicus: Heer, leer ons bidden.

Bidden zet ons aan het geloof te beleven in tekens die kracht uitstralen, de liefde te uiten in opbeurende daden, hoop uit te spreken in bemoedigende woorden en ons berouw te verwoorden in uitdagende voornemens. De indringende kracht van het gebed werkt geleidelijk op heel ons mens-zijn in: gevoel en hart, verstand en ziel.
Bidden is echter nooit evident. Bidden gaat niet vanzelf omdat het er niet op aankomt veel te doen, maar een bepaalde houding aan te nemen: ons openstellen voor God. Het gaat om een houding van geloof en overgave waardoor we met hem op weg gaan naar de overkant en naar de binnenkant van onszelf. Dat vergt stilte, aandachtig en geduldig luisteren en wachtend uitzien naar wat hij met ons van plan is.

VI Rechtstaand met open handen, de armen gestrekt in de vorm van een kruis, smeekte Dominicus: Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeekbeden.

Velen zien het smeekgebed als een minderwaardig of een primitief gebed. Is dat zo? We beseffen wel dat er onvolwassen vormen bestaan van smeekgebed. Dan wordt God tot een stoplap die alles vanzelf moet oplossen. Dan wil de mens het met God op een akkoordje gooien. Maar hoeft dat echt zo te zijn? Zou het niet kunnen dat we als moderne westerlingen eerder wat te weinig durven vragen in ons gebed? Doen wij dat nog wel? Echt iets afsmeken? Onze nood klagen? Pleiten voor mensen in miserie? Men hoorde Dominicus dikwijls in zijn nachtelijk gebed wenend roepen: Wat zal er van de zondaars geworden?

Jezus moedigde mensen aan om vragen te stellen. Hij eiste onwankelbaar vertrouwen, ja zelfs 'vrijpostigheid: "Vraag, en jullie zal gegeven worden." Geen materiële dingen, maar de Heilige Geest, zoals staat in Luc 11. Dan kunnen we vertrouwen op verhoring. Als God werkelijk de liefde van de Heilige Geest nabij brengt, rest er maar één vraag: dat de aarde steeds meer die liefde herkent. Dat God voor alle mensen een Vader, Abba, mag zijn.

VII Soms zag men Dominicus zich in heel zijn lengte naar de hemel richten. Hij verhief zijn gestrekte handen hoog boven zijn hoofd, zo hoog mogelijk.
Zoals in psalm 141: "Heer ik roep op u, verhoor me, luister naar mijn stem wanneer ik u aanroep. Dat mijn gebed moge opstijgen tot u als geurende wierook en de verheffing van mijn handen als een avondoffer moge zijn."
Met geheel zijn wezen wou Dominicus zich laten raken door God. God zoekt naar ons. Wil ons ontmoeten. Zonder dwang. Hij dringt zich niet op. Wij moeten in alle vrijheid naar hem toegaan. Open staan voor zijn aanwezigheid. Geloven en bidden kunnen we niet uit eigen kracht. Ons geloven, ons bidden, smeken en roepen zijn antwoord op Gods liefdesaanbod.

VIII Dominicus bad met de bijbel.
Hij stond hiermee in een lange traditie van het monastieke leven. De bijbel: woord van mensen, woord van God. Getuigenis van Gods geschiedenis met de mens. Een geschiedenis van heil en onheil, trouw en ontrouw, zonde en barmhartigheid.
Ook de psalmen die Jezus zelf als vrome Jood zoveel gebeden heeft, staan vol tederheid en vloekwoorden, vol lofprijzing en dank en vol boosheid, woede, ontgoocheling, eenzaamheid. Alle menselijke gevoelens tegenover God en tegenover de medemens vinden we in de psalmen. De mens bidt zoals hij is. Met zijn goedheid en zijn slechtheid. Hij staat eerlijk voor God. Hij legt zijn leven open voor God. Bidden met de bijbel is op de eerste plaats lectio: lezing. Lezen van de tekst met aandacht en eventueel met commentaar van specialisten om te weten wat er staat en hoe het er staat en zo beter te begrijpen wat de tekst bedoelt te zeggen. Dan volgt de meditatio. Mediteren om zich door de gelezen en beluisterde tekst te laten raken. Om het op ons eigen leven te leggen. Om het woord tot leven te brengen in hart en handen. Tenslotte is er de oratio, het eigenlijke gebed. Met of zonder woorden. Dankbaar vertoevend in Gods aanwezigheid.

IX Dominicanen worden met een Latijnse woordspeling Domini canes genoemd, honden van de Heer. Straathonden! Blaffend tegen de ketters, zeggen sommigen. Dominicus heeft zich echter nooit gemengd in het strijdgewoel om de Katharen. Een kruistocht, door de paus bevolen, om de ketters te bestrijden te vuur en te zwaard. Dominicus heeft nooit met dwang en geweld het christelijk geloof opgedrongen. Wel met overredingskracht. Maar in dialoog, zoals met de waard van de herberg in Toulouse. Of in de dagenlange publieke disputen.
Hij wou zoals Jezus rondtrekkende prediker zijn. In totale armoede. Bedelend om in leven te blijven.

Maar de laatste gebedswijze drukt uit dat hij op reis met confraters een man van gebed bleef. Het gezamenlijk gemeenschapsgebed onderweg of in een of andere kapel of kerk was voor hem elementair. Als christenen samen bidden, zien ze elkaars geloof. Dan stellen we ons samen in medemenselijke liefde voor God. Dan voelen we ons samen verantwoordelijk voor onze gemeenschappelijke roeping: het woord Gods, de levende verrezen Jezus Christus te verkondigen, in woord en daad, tot heil van de wereld.