Waarden en normen
Waarden en normen worden meestal in één adem genoemd.
Waarden-en-normen, in één woord, als een slogan. Maar het is een
misleidende slogan. Waarden en normen zijn heel verschillende dingen. De
slogan verdoezelt hun verschil en zegt niets over hoe ze met elkaar
verband houden.
Waarden noemen we alles wat mensen de moeite waard vinden om er
zich voor in te zetten en wat bijdraagt tot een meer menswaardige
samenleving. Het zijn streefdoelen, idealen. Je hebt verschillende
categorieën van waarden. Biologische zoals gezondheid, economische zoals
welvaart, sociale en ethische: rechtvaardigheid, solidarteit, religieuze:
godsvrucht, vroomheid, ingetogen stilte.
Vlaams minister van Inburgering Marino Keulen heeft in 2005 aan een
commissie van wijzen de opdracht gegeven om voor de regering een rapport
samen te stellen waarin de waarden en normen beschreven worden "die
onontbeerlijk zijn voor het leefbaar functioneren van een diverse
samenleving". Het staat bekend als rapport-Bossuyt (Marc Bossuyt was
voorzitter van de commissie). Het rapport beschrijft vijf onontbeerlijke
waarden: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap; in
deze volgorde. Het moeten dienen als basis voor een nieuwe cursus
Maatschappelijke Oriëntatie die nieuwkomers in Vlaanderen verplicht zijn
te volgen. Maar zo’n cursus kan ook voor Vlamingen nuttig zijn.
Normen zijn regels, concrete richtlijnen voor het handelen. Ze
schrijven voor wat we moeten doen en laten om hoog geschatte waarden tot
hun recht te brengen. Ze verankeren waarden in wetten. Algemene waarden
zijn verankerd in wetten waaraan iedereen moet gehoorzamen. Waarden die
in bepaalde groepen hoog geschat worden, krijgen hun geldingskracht in
eigen groepsnormen. Bijvoorbeeld de waarde van gezamenlijke maaltijden in
een gezin dat daar een groot belang aan hecht, of van het gezamenlijk
gebed in een kloostergemeenschap.
Vrijheid goed begrepen
Met 'tijden van ommekeer' bedoelt Jozef Ratzinger in de eerste plaats
de overgang van een autoritaire naar een democratische gezagvoering. Wij
leven in een democratische rechtsstaat.
Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat democratie wel niet de ideale
maatschappij tot stand brengt, maar in de praktijk het enige redelijke
systeem is. Als we spreken wij over democratie, denken we vooral aan dit
positieve punt: de gezamenlijke participatie in de macht als uitdrukking
van vrijheid. Bij dit punt aangekomen houden velen halt. Ze zeggen: als
de vrijheid van iedereen is gegarandeerd en wordt beschermd, is het doel
van de staat bereikt.
Wat verstaat men dan onder vrijheid?
Vrij zijn, zegt men, is kunnen doen wat je wil. Zelfbeschikking. Zelf
kunnen kiezen wat je verlangt. Denk aan het winkelen in een
grootwarenhuis: je mag zelf je keuze maken uit een enorm groot aanbod.
Keuzevrijheid, zegt men, is voor mensen het hoogste goed. Maar je kunt
daar serieuze vragen bij stellen.
Vrijheid die als enig doel heeft je eigen behoeften en wensen te
bevredigen is geen echt menselijke vrijheid. Ze mist inhoud. Er zijn
duidelijk maatstaven nodig, want anders verwordt vrijheid tot geweld
tegen de anderen. De inhoud die de vrijheid nodig heeft, zegt Ratzinger,
moet dienen als bescherming van de mensenrechten: de fundamentele rechten
van elke mens.
Tegenover vrijheid opgevat als keuzevrijheid moeten we een andere
definitie stellen. Vrij zijn wil zeggen geen slaaf zijn van je eigen
grillen en passies. Jezelf onder controle hebben. Je ego in bedwang
houden. Innerlijk vrij zijn om beslissingen te nemen en
verantwoordelijkheid te dragen. Vrij zijn om te kunnen doen wat je moet
doen. Het is de innerlijke vrijheid waartoe Paulus in zijn brief aan de Galaten
(5,13) christenen oproept. "U bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die
vrijheid niet voor zelfzucht, om uw eigen verlangens te bevredigen, maar
dien elkaar in liefde."
De waarheid bedreigd
In een democratische samenleving, zegt Ratzinger is de waarheid een
bedreigde waarde. De moderne interpretatie van democratie lijkt
onverbrekelijk verbonden te zijn met relativisme. Het relativisme doet
zich voor als de feitelijke waarborg van de keuzevrijheid. 'Iedereen zijn
waarheid', daarom is iedereen vrij te kiezen wat hij wil.
Maar kan een democratische samenleving bestaan zonder een
niet-relativistische kern? De democratie is toch gebouwd op de
mensenrechten en die zijn onaantastbaar, niet onderworpen aan de eis van
pluralisme en tolerantie.
In de politieke filosofie is er veel discussie over vraag wat de ware
democratie inhoudt. Er staan, ietwat vereenvoudigd gezegd, twee
standpunten lijnrecht tegenover elkaar. Het radicale relativisme stelt
dat er uiteindelijk geen ander principe in de politiek is dan het besluit
van de meerderheid dat in het reilen en zeilen van de staat de plaats van
de waarheid inneemt. Ook het recht kan niet anders dan puur politiek
opgevat worden. Recht is datgene wat door de daartoe bevoegde instituties
als recht wordt vastgesteld. Een andere filosofie, een andere bron van
recht staat de democratie niet toe.
Daartegenover staat het standpunt dat de waarheid niet een product is
van de politiek (van de meerderheid), maar daaraan voorafgaat en haar pad
verlicht. Niet de praktijk zorgt voor de waarheid, maar de waarheid zorgt
ervoor dat de praktijk op de juiste manier geschiedt. Politiek is pas dan
gerechtvaardigd en bevordert pas de vrijheid wanneer ze ten dienste staat
van een systeem van waarden en rechten die onaantastbaar zijn.
De tegenstelling tussen die twee standpunten wordt door Ratzinger mooi
weergegeven in de beschrijving van twee interpretaties van de houding van
Pilatus in het proces tegen Jezus. "Ik ben naar de wereld gekomen om te
getuigen van de waarheid", zei Jezus. En Pilatus antwoordde met de
beroemde vraag: "Wat is waarheid?" (Johannes 18,37-38).
Volgens een Oostenrijkse rechtsgeleerde met wereldfaam is de
Pilatus-vraag een weergave van de noodzakelijke scepsis van de politicus.
De waarheid is onbereikbaar. Pilatus wacht volstrekt niet op het
antwoord, in plaats daarvan richt hij zich rechtstreeks tot het volk. Zo
heeft hij de beslissing over de omstreden zaak aan de volksstemming
overgelaten. Hij heeft zich gedragen als een waarachtige democraat. Omdat
hij niet weet wat gerechtigheid is, laat hij de meerderheid daarover
beslissen. Persoonlijk vindt hij geen schuld in Jezus, hij veroordeelt
een onschuldige, maar er is nu eenmaal geen andere waarheid dan die van
de meerderheid en het heeft geen zin om daarachter verder te zoeken.
Heel anders is de uitleg van een beroemde Duitse bijbelgeleerde. Hij
begint met de vaststelling dat Jezus de volmacht van Pilatus om in naam
van de staat recht te spreken geheel en al erkent. Maar Jezus perkt dat
direct in door te zeggen dat de landvoogd die volmacht heeft omdat ze
'van boven' heeft ontvangen. Pilatus corrumpeert zijn macht en daarmee
ook die van de staat op het ogenblik dat hij zich niet meer opstelt als
gevolmachtigde lasthebber van een hogere, aan waarheid gehechte ordening,
maar deze voor eigen nut gebruikt. Hij vraagt niet meer naar de waarheid,
maar ziet de macht als zijn eigen, zuivere macht. Zodra hij zichzelf
machtigde, werd hem de gerechtelijke moord op Jezus in handen gespeeld.
De normen van recht en rede
De twee belangrijkste spelers in het veld van onze wereld zijn het
christelijk geloof en de westers rationaliteit. Geloof en rede hebben
dikwijls met elkaar in conflict gelegen. Ten onrechte, want ze zijn niet
elkaars vijanden maar bondgenoten. Het geloof steunt op de rede, maar het
wijst tegelijk op haar grenzen. Een terugblik op de afgelopen eeuw toont
duidelijk hoe de zuiver rationele en instrumentele benadering van de
werkelijkheid in ongekende gruwelijkheden is ontspoord. De rede dient
rekening te houden met de grote morele en religieuze tradities van de
mensheid. We moeten hier echter onmiddellijk aan toevoegen dat religie
zonder de correctie van de rede tot mensonterende praktijken heeft
geleid. En dat gebeurt nog altijd. Alle vormen van religieus
fundamentalisme ontstaan uit het bannen van elke vorm van redelijkheid.
Religie lokt geweld uit. Terreur ontstaat uit religieus fanatisme.
Het is de taak van de politiek de uitoefening van de macht aan de
normen van het recht en de rede te binden en zo het zinvolle gebruik
ervan te ordenen. Niet het recht van de sterkste, maar de kracht van het
recht dient te gelden. Het spreekt voor zich dat recht niet een
machtsinstrument van weinigen mag zijn, maar een uitdrukking van de
gemeenschappelijke belangen van allen. Een democratie is daarvoor de
beste garantie, als tenminste de politieke rede niet versmald wordt tot
partijgebonden rede. Want ook democratische meerderheden kunnen blind en
onrechtvaardig zijn. Tot de morele principes van de democratie behoort de
aanvaarding van een onveranderlijk recht dat voor geen enkele meerderheid
ter discussie mag staan.
Hier kan, zegt Ratzinger, het geloof bijdragen tot een rechtvaardige
politiek. Hij verwijst naar de Tien Geboden. Deze zijn geen privébezit
van de Joden of de christenen.
"Ze vormen een hoogste van de morele rede die voor een groot deel ook
de wijsheid van andere grote culturen raakt". De Tien Geboden tot
maatstaf nemen zou voor de genezing van de rede van vitaal belang kunnen
zijn. Het geloof vervangt niet de rede, maar het kan bijdragen tot
inzicht in de wezenlijke waarden. "Door de praktijk van het leven in
geloof verschaft het geloofwaardigheid, die vervolgens ook de rede
verlicht en geneest."
Kerk en staat
Hier komen we bij de kwestie van de verhouding tussen Kerk en staat.
Ratzinger heeft er geen moeite mee de scheiding van Kerk te aanvaarden.
De staat is geen onderdeel van de Kerk en de Kerk geen onderdeel van de
staat.
We kunnen ons hier laten helpen door goed bekende uitspraken in het
Nieuwe Testament. Algemeen bekend is de uitspraak van Jezus: 'Geef de
keizer wat de keizer toekomt'. In zover de politieke overheid recht, orde
en vrede waarborgt, kan ze aanspraak maken op gehoorzaamheid. Paulus zegt
het in de Romeinenbrief (13,1-7) uitvoeriger. "Ieder mens moet zich
schikken naar de gezagdragers die boven hem staan, want er is geen gezag
dat niet van God komt; ook het bestaande (Romeinse) gezag is door God
ingesteld." Christenen bidden vóór de koning, ook als ze vervolgd worden,
maar niet tót de koning. Ze moeten ook aan God geven wat hem toekomt.
Gehoorzamen aan een vorst die de hem verleende macht te buiten gaat en
zich tot god verheft, is godsverloochening. Dit wordt in beeldrijke taal
beschreven in het van de Openbaring van Johannes, met een dringende
oproep. Bewijs geen eer en geef gehoor aan een staatsmacht die als een
god zelf bepaalt wat gerechtigheid en waarheid is!
Christenen zijn loyale staatsburgers. Dat zijn ze aan hun geloof
verplicht. Maar in naam van hun geloof zullen ze ook wanneer dat nodig is
hun kritische stem laten horen. Ze hebben een eigen rangschikking van
waarden die ze hoog achten. Daarin verschillen ze van andere burgers. Ze
dringen hun eigen waarden aan niemand op, maar vragen wel dat ze erkend
wordt. Ook door de overheid. In naam van de vrijheid van godsdienst
verzetten ze er zich tegen dat hun geloof achter hun voordeur zou moeten
blijven en binnen de muren van kerken en kapellen.