D


ominicaanse familie Vlaanderen


 
  Werkjaar 2006  
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug
 


Waarden en normen


Waarden in tijden van ommekeer is de goed gekozen titel van het boek waarin kardinaal Ratzinger - nu dus paus Benedictus XVI - een aantal her en der gehouden lezingen heeft gebundeld. De groep Knokke van de DfV heeft zich de voorbije maanden grondig in het boek verdiept. Het resultaat van dit studiewerk is nu beschikbaar in drie rapporten, geschreven door Gerard Braet, Paul De Boeck en Lut De Brauwer.
Ze worden hier gebundeld en samengevat.


Waarden en normen

Waarden en normen worden meestal in één adem genoemd. Waarden-en-normen, in één woord, als een slogan. Maar het is een misleidende slogan. Waarden en normen zijn heel verschillende dingen. De slogan verdoezelt hun verschil en zegt niets over hoe ze met elkaar verband houden.

Waarden noemen we alles wat mensen de moeite waard vinden om er zich voor in te zetten en wat bijdraagt tot een meer menswaardige samenleving. Het zijn streefdoelen, idealen. Je hebt verschillende categorieën van waarden. Biologische zoals gezondheid, economische zoals welvaart, sociale en ethische: rechtvaardigheid, solidarteit, religieuze: godsvrucht, vroomheid, ingetogen stilte.

Vlaams minister van Inburgering Marino Keulen heeft in 2005 aan een commissie van wijzen de opdracht gegeven om voor de regering een rapport samen te stellen waarin de waarden en normen beschreven worden "die onontbeerlijk zijn voor het leefbaar functioneren van een diverse samenleving". Het staat bekend als rapport-Bossuyt (Marc Bossuyt was voorzitter van de commissie). Het rapport beschrijft vijf onontbeerlijke waarden: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap; in deze volgorde. Het moeten dienen als basis voor een nieuwe cursus Maatschappelijke Oriëntatie die nieuwkomers in Vlaanderen verplicht zijn te volgen. Maar zo’n cursus kan ook voor Vlamingen nuttig zijn.

Normen zijn regels, concrete richtlijnen voor het handelen. Ze schrijven voor wat we moeten doen en laten om hoog geschatte waarden tot hun recht te brengen. Ze verankeren waarden in wetten. Algemene waarden zijn verankerd in wetten waaraan iedereen moet gehoorzamen. Waarden die in bepaalde groepen hoog geschat worden, krijgen hun geldingskracht in eigen groepsnormen. Bijvoorbeeld de waarde van gezamenlijke maaltijden in een gezin dat daar een groot belang aan hecht, of van het gezamenlijk gebed in een kloostergemeenschap.

Vrijheid goed begrepen

Met 'tijden van ommekeer' bedoelt Jozef Ratzinger in de eerste plaats de overgang van een autoritaire naar een democratische gezagvoering. Wij leven in een democratische rechtsstaat.

Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat democratie wel niet de ideale maatschappij tot stand brengt, maar in de praktijk het enige redelijke systeem is. Als we spreken wij over democratie, denken we vooral aan dit positieve punt: de gezamenlijke participatie in de macht als uitdrukking van vrijheid. Bij dit punt aangekomen houden velen halt. Ze zeggen: als de vrijheid van iedereen is gegarandeerd en wordt beschermd, is het doel van de staat bereikt.

Wat verstaat men dan onder vrijheid?

Vrij zijn, zegt men, is kunnen doen wat je wil. Zelfbeschikking. Zelf kunnen kiezen wat je verlangt. Denk aan het winkelen in een grootwarenhuis: je mag zelf je keuze maken uit een enorm groot aanbod. Keuzevrijheid, zegt men, is voor mensen het hoogste goed. Maar je kunt daar serieuze vragen bij stellen.

Vrijheid die als enig doel heeft je eigen behoeften en wensen te bevredigen is geen echt menselijke vrijheid. Ze mist inhoud. Er zijn duidelijk maatstaven nodig, want anders verwordt vrijheid tot geweld tegen de anderen. De inhoud die de vrijheid nodig heeft, zegt Ratzinger, moet dienen als bescherming van de mensenrechten: de fundamentele rechten van elke mens.

Tegenover vrijheid opgevat als keuzevrijheid moeten we een andere definitie stellen. Vrij zijn wil zeggen geen slaaf zijn van je eigen grillen en passies. Jezelf onder controle hebben. Je ego in bedwang houden. Innerlijk vrij zijn om beslissingen te nemen en verantwoordelijkheid te dragen. Vrij zijn om te kunnen doen wat je moet doen. Het is de innerlijke vrijheid waartoe Paulus in zijn brief aan de Galaten (5,13) christenen oproept. "U bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet voor zelfzucht, om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde."

 De waarheid bedreigd

In een democratische samenleving, zegt Ratzinger is de waarheid een bedreigde waarde. De moderne interpretatie van democratie lijkt onverbrekelijk verbonden te zijn met relativisme. Het relativisme doet zich voor als de feitelijke waarborg van de keuzevrijheid. 'Iedereen zijn waarheid', daarom is iedereen vrij te kiezen wat hij wil.
Maar kan een democratische samenleving bestaan zonder een niet-relativistische kern? De democratie is toch gebouwd op de mensenrechten en die zijn onaantastbaar, niet onderworpen aan de eis van pluralisme en tolerantie.

In de politieke filosofie is er veel discussie over vraag wat de ware democratie inhoudt. Er staan, ietwat vereenvoudigd gezegd, twee standpunten lijnrecht tegenover elkaar. Het radicale relativisme stelt dat er uiteindelijk geen ander principe in de politiek is dan het besluit van de meerderheid dat in het reilen en zeilen van de staat de plaats van de waarheid inneemt. Ook het recht kan niet anders dan puur politiek opgevat worden. Recht is datgene wat door de daartoe bevoegde instituties als recht wordt vastgesteld. Een andere filosofie, een andere bron van recht staat de democratie niet toe.

Daartegenover staat het standpunt dat de waarheid niet een product is van de politiek (van de meerderheid), maar daaraan voorafgaat en haar pad verlicht. Niet de praktijk zorgt voor de waarheid, maar de waarheid zorgt ervoor dat de praktijk op de juiste manier geschiedt. Politiek is pas dan gerechtvaardigd en bevordert pas de vrijheid wanneer ze ten dienste staat van een systeem van waarden en rechten die onaantastbaar zijn.

De tegenstelling tussen die twee standpunten wordt door Ratzinger mooi weergegeven in de beschrijving van twee interpretaties van de houding van Pilatus in het proces tegen Jezus. "Ik ben naar de wereld gekomen om te getuigen van de waarheid", zei Jezus. En Pilatus antwoordde met de beroemde vraag: "Wat is waarheid?" (Johannes 18,37-38).

Volgens een Oostenrijkse rechtsgeleerde met wereldfaam is de Pilatus-vraag een weergave van de noodzakelijke scepsis van de politicus. De waarheid is onbereikbaar. Pilatus wacht volstrekt niet op het antwoord, in plaats daarvan richt hij zich rechtstreeks tot het volk. Zo heeft hij de beslissing over de omstreden zaak aan de volksstemming overgelaten. Hij heeft zich gedragen als een waarachtige democraat. Omdat hij niet weet wat gerechtigheid is, laat hij de meerderheid daarover beslissen. Persoonlijk vindt hij geen schuld in Jezus, hij veroordeelt een onschuldige, maar er is nu eenmaal geen andere waarheid dan die van de meerderheid en het heeft geen zin om daarachter verder te zoeken.

Heel anders is de uitleg van een beroemde Duitse bijbelgeleerde. Hij begint met de vaststelling dat Jezus de volmacht van Pilatus om in naam van de staat recht te spreken geheel en al erkent. Maar Jezus perkt dat direct in door te zeggen dat de landvoogd die volmacht heeft omdat ze 'van boven' heeft ontvangen. Pilatus corrumpeert zijn macht en daarmee ook die van de staat op het ogenblik dat hij zich niet meer opstelt als gevolmachtigde lasthebber van een hogere, aan waarheid gehechte ordening, maar deze voor eigen nut gebruikt. Hij vraagt niet meer naar de waarheid, maar ziet de macht als zijn eigen, zuivere macht. Zodra hij zichzelf machtigde, werd hem de gerechtelijke moord op Jezus in handen gespeeld.

 De normen van recht en rede

De twee belangrijkste spelers in het veld van onze wereld zijn het christelijk geloof en de westers rationaliteit. Geloof en rede hebben dikwijls met elkaar in conflict gelegen. Ten onrechte, want ze zijn niet elkaars vijanden maar bondgenoten. Het geloof steunt op de rede, maar het wijst tegelijk op haar grenzen. Een terugblik op de afgelopen eeuw toont duidelijk hoe de zuiver rationele en instrumentele benadering van de werkelijkheid in ongekende gruwelijkheden is ontspoord. De rede dient rekening te houden met de grote morele en religieuze tradities van de mensheid. We moeten hier echter onmiddellijk aan toevoegen dat religie zonder de correctie van de rede tot mensonterende praktijken heeft geleid. En dat gebeurt nog altijd. Alle vormen van religieus fundamentalisme ontstaan uit het bannen van elke vorm van redelijkheid. Religie lokt geweld uit. Terreur ontstaat uit religieus fanatisme.

Het is de taak van de politiek de uitoefening van de macht aan de normen van het recht en de rede te binden en zo het zinvolle gebruik ervan te ordenen. Niet het recht van de sterkste, maar de kracht van het recht dient te gelden. Het spreekt voor zich dat recht niet een machtsinstrument van weinigen mag zijn, maar een uitdrukking van de gemeenschappelijke belangen van allen. Een democratie is daarvoor de beste garantie, als tenminste de politieke rede niet versmald wordt tot partijgebonden rede. Want ook democratische meerderheden kunnen blind en onrechtvaardig zijn. Tot de morele principes van de democratie behoort de aanvaarding van een onveranderlijk recht dat voor geen enkele meerderheid ter discussie mag staan.

Hier kan, zegt Ratzinger, het geloof bijdragen tot een rechtvaardige politiek. Hij verwijst naar de Tien Geboden. Deze zijn geen privébezit van de Joden of de christenen.
"Ze vormen een hoogste van de morele rede die voor een groot deel ook de wijsheid van andere grote culturen raakt". De Tien Geboden tot maatstaf nemen zou voor de genezing van de rede van vitaal belang kunnen zijn. Het geloof vervangt niet de rede, maar het kan bijdragen tot inzicht in de wezenlijke waarden. "Door de praktijk van het leven in geloof verschaft het geloofwaardigheid, die vervolgens ook de rede verlicht en geneest."

 Kerk en staat

Hier komen we bij de kwestie van de verhouding tussen Kerk en staat. Ratzinger heeft er geen moeite mee de scheiding van Kerk te aanvaarden. De staat is geen onderdeel van de Kerk en de Kerk geen onderdeel van de staat.

We kunnen ons hier laten helpen door goed bekende uitspraken in het Nieuwe Testament. Algemeen bekend is de uitspraak van Jezus: 'Geef de keizer wat de keizer toekomt'. In zover de politieke overheid recht, orde en vrede waarborgt, kan ze aanspraak maken op gehoorzaamheid. Paulus zegt het in de Romeinenbrief (13,1-7) uitvoeriger. "Ieder mens moet zich schikken naar de gezagdragers die boven hem staan, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het bestaande (Romeinse) gezag is door God ingesteld." Christenen bidden vóór de koning, ook als ze vervolgd worden, maar niet tót de koning. Ze moeten ook aan God geven wat hem toekomt. Gehoorzamen aan een vorst die de hem verleende macht te buiten gaat en zich tot god verheft, is godsverloochening. Dit wordt in beeldrijke taal beschreven in het van de Openbaring van Johannes, met een dringende oproep. Bewijs geen eer en geef gehoor aan een staatsmacht die als een god zelf bepaalt wat gerechtigheid en waarheid is!

Christenen zijn loyale staatsburgers. Dat zijn ze aan hun geloof verplicht. Maar in naam van hun geloof zullen ze ook wanneer dat nodig is hun kritische stem laten horen. Ze hebben een eigen rangschikking van waarden die ze hoog achten. Daarin verschillen ze van andere burgers. Ze dringen hun eigen waarden aan niemand op, maar vragen wel dat ze erkend wordt. Ook door de overheid. In naam van de vrijheid van godsdienst verzetten ze er zich tegen dat hun geloof achter hun voordeur zou moeten blijven en binnen de muren van kerken en kapellen.