Begin februari zijn de dominicaanse
leken in het Dominicushuis van Antwerpen in een algemene vergadering
bijeengekomen. Op het programma stond de bespreking van het boek van
Gerard Bodifée over de 'spirituele nood van Europa'. In Dominicaans leven
2007/2 (themanummer 'Waarden en normen' is al een uittreksel uit
dit boek verschenen.
De vergadering was goed voorbereid. In
de groep Genk en Schilde heeft men Bodifée in de loop van verleden jaar
bestudeerd. Mensen van Genk en Schilde hebben de vruchten van hun
studiewerk aan hun zusters en broeders in Antwerpen gepresenteerd. Nadien
volgde in afzonderlijke gespreksgroepen een bijzonder geanimeerde
discussie. Om ze niet oeverloos te laten verlopen, heeft men ze
gecentreerd rond een viertal vooraf opgegeven vragen.
Wie Bodifée leest, wordt gedwongen om zich rekenschap
te geven van zijn persoonlijke religiositeit. Hij krijgt een zeer breed
en vaag begrip van religie voorgeschoteld. Je kunt zeer religieus zijn
zonder in God te geloven. Er zijn veel atheïsten die zich religieus
noemen. Religieus zijn wil dan zeggen dat men zijn 'nietige ik' beleeft
in zijn verbondenheid met het 'al' waardoor het wordt omvat en waaraan
het zijn bestaan heeft te danken. Wij spreken liever van 'godsdienst',
omdat we in God geloven. Dat is smaller en veel minder vaag.
Bodifée: 'God' is een woord voorbij alle woorden. Het
verwijst naar méér dan alles waar de mens begrip kan van hebben. Een
woord voorbij alle woorden. We kennen de beroemde uitspraak van
Witgenstein: 'Waar je niet over kunt spreken, daarover moet je zwijgen.'
Maar een godsdienstig mens moet nu eenmaal woorden gebruiken om
uitdrukking te geven aan zijn godsdienstigheid. Het komt erop aan goed te
beseffen dat alle woorden die we gebruiken en die ons zijn aangeleerd
altijd tekortschieten. Het zijn geen begrippen of definities. We kunnen
er God niet in 'grijpen'. We moeten ze opvatten als symbolen, ze
verwijzen naar een werkelijkheid die we nooit kunnen vatten. Dus:
omzichtig omgaan met alle woorden waarin we Gods werkelijkheid ter sprake
proberen te brengen.
2. Herkennen we in de gedachtegang van Bodifée onze
christelijke spiritualiteit?
Sommigen antwoordden met enige aarzeling ja, anderen
zeer beslist neen. Neen, want voor christenen betekent Christus veel meer
dan we bij hem lezen. Voor hen is hij het mensgeworden woord van God,
waarin God zich definitief heeft uitgesproken. In hem kunnen ze zien wie
God werkelijk is. Zij die geneigd zijn ja te antwoorden, beklemtonen dat
alleen Jezus' tijdgenoten, in een uithoek van de wereld, hem hebben
gezien en gehoord. Wij beschikken alleen over de woorden van en over hem
die we lezen in de evangelies en de andere geschriften van het Nieuw
Testament. Het is niet Jezus maar de verheerlijkte Christus die we
aanwezig stellen in de woorden en gebaren van de eucharistieviering.
Woorden en gebaren die we moeten opvatten als symbolen. Iemand zei het
zo: we mogen ons niet overgeven aan een blind geloof. Laten we in
godsnaam niet gedachteloos geloven!
3. Is zinvol, waarachtig menselijk leven mogelijk
zonder religie?
Volgens Bodifée in elk geval niet. We kunnen hem
gelijk geven, als we religie breed genoeg opvatten. Zinvol menselijk
leven zonder godsdienst? Dat is een moeilijker vraag. Velen van onze
kinderen en kleinkinderen hebben het christelijk geloof vaarwel gezegd.
Het doet ons verdriet, maar we troosten ons met de gedachte dat het goede
mensen zijn. Naastenliefde is voor hen geen ijdel woord en sommigen
brengen er meer van terecht dan heel wat mensen die zich katholiek
blijven noemen. Maar hier moeten we goed letten op het verschil tussen
godsdienst en ethiek. Je kunt erover twisten of een waarachtig ethisch
leven mogelijk is zonder religie. Maar wie durft betwijfelen dat er
mensen zijn die een hoogstaand ethisch leven leiden zonder dat ze in God
geloven?
4. Zijn we het ermee eens dat een beschaving zonder
religie niet denkbaar is?
Laten we het hebben over onze westerse beschaving, de
enige waarin we thuis zijn. Het christelijke erfgoed behoort tot het
wezen van haar identiteit. Als Europa dit zou verloochenen, negeert het
zijn identiteit.
Hier komen we bij het pessimistisch beeld dat Bodifée
van Europa tekent. Het staat groot geschreven in de titel van zijn boek:
Europa zit in een leegte, en de nefaste gevolgen daarvan zijn duidelijk
merkbaar. Maar hij eindigt op een optimistische noot. Het is best
mogelijk dat de crisis minder ernstig is dan ze lijkt. Misschien zal ze
uiteindelijk heilzaam blijken te zijn. Niet dat er een 'terugkeer' van
Europa naar het christelijk geloof zal gebeuren. Maar zonder religie kan
het niet voortbestaan, dat is ondenkbaar. Bodifée hecht opvallend veel
belang aan de religieuze diversiteit waarvan hij de duidelijke tekenen
bespeurt.
Het verrast sommigen dat hij met geen woord spreekt
over de Islam in Europa. "Er zijn veel wegen naar God en de
eindbestemming hoeft niet de klassieke naam van de christelijke God te
dragen." Over die religieuze diversiteit kunnen we ons verheugen. Op één
voorwaarde: dat we trouw blijven aan onze christelijke identiteit en er
openlijk voor uitkomen. Nog een laatste keer Bodifée: "Het christendom
moet in stand houden en doen groeien wat het voortgebracht heeft."