De leken van de Dominicaanse familie Vlaanderen zijn
in hun regionale groepen al ijverig 'in de leer bij E. Schillebeeckx' aan
het gaan. Hun studiewerk over het thema 'Kerk en ambt' hebben ze
afgerond. De resultaten zijn in twee rapporten (vanuit Genk en Schilde)
voorgelegd en gezamenlijk besproken op hun jongste algemene vergadering.
Men heeft daarbij ook geluisterd naar Marc Van Tente, die als deskundige
was uitgenodigd om het thema in een ruimer kader te situeren. Hieronder
staat het geresumeerde verslag.
Onderweg naar een kerk met toekomst
Deze titel stond boven de uiteenzetting van Marc Van
Tente. Zijn stelling: er blijft een zware hypotheek op de toekomst van
onze kerk vandaag liggen zolang men van kerkelijke hogerhand mordicus
vasthoudt aan de gevestigde definitie van het priesterambt. Men schijnt
er geen oog voor te hebben dat de leer over de ambten in de kerk ontstaan
is en vastgelegd in een tijd en cultuur die niet meer de onze zijn.
Zolang men die definitie onveranderd blijft opleggen, wordt in de nu
heersende crisis van geloof, kerkbezoek en priesterroepingen aan steeds
meer christelijke gemeenschappen de viering van de eucharistie ontzegd.
Waarom zouden ze nog blijven samenkomen? Ze hebben geen toekomst meer, ze
dreigen uit te sterven.
Het is de grote verdienste van de Nederlandse
dominicanen dat ze in hun boekje over 'Kerk en Ambt' de kwestie aan de
orde hebben gesteld en een uitweg uit de noodsituatie hebben voorgesteld.
De kerkelijke overheden hebben het hun niet in dank afgenomen. Hun
ongenoegen spitste zich toe op de laatste bladzijde. Daar schrijven de
dominicanen dat christelijke gemeenschappen in een noodsituatie, steunend
op hun evangelisch recht op de eucharistie, de vrijheid mogen nemen (en
zouden moeten krijgen) om "uit hun midden hun eigen voorgangers te
kiezen". Als de bisschop geen oor heeft voor hun vraag om hun keuze te
bevestigen en argumenten geeft die nergens het wezen van de eucharistie
raken, "dan mogen de parochies erop vertrouwen dat zij toch echt en
waarachtig eucharistie vieren wanneer zij biddend brood en wijn delen".
Er zijn gemeenschappen waarin voorgangers optreden die
ze uit hun midden hebben gekozen en aan hun bisschop niet gevraagd hebben
hun keuze te bevestigen. Van Tente noemt ze 'vrije gemeenten': vrij niet
in de zin van eigenwijs en vrijgevochten, maar van de
verantwoordelijkheid die ze nemen om de Jezusbeweging in nieuwe tijden
levenskrachtig te houden. Maar hij citeerde daarbij een bekende uitspraak
van Paulus: "U bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik echter die
vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen maar dien elkaar in
liefde." De liefde heeft het laatste woord. Als het nodig of
onvermijdelijk is, moeten we niet koppig vasthouden aan ons gelijk maar
in naam van de liefde vrij afzien van onze vrijheid.
'Wat kunnen wij doen?'
In de regionale groepen kwam men aan het einde van de
studie, bezinning en discussie over kerk en ambt vanzelf bij de vraag
'kunnen wij iets doen om onze kerk nog toekomst te geven?' De antwoorden
liepen nogal gelijk. Men was het erover eens dat een gemeenschap aan haar
recht op eucharistie de voorrang moet geven. Als dit recht in het gedrang
komt wegens het gebrek aan kerkelijk gewijde voorgangers, moet het op een
andere manier verzekerd worden. Let wel: de functie van een voorganger is
niet alleen liturgisch en verkondigend (predicatie). Hij (of zij) moet
vooral ook zorgen voor de kerkopbouw ter plaatse, instaan voor de
pastoraal in al haar facetten. Kunnen wij, dominicaanse leken, daarbij
helpen?
Provoceren zou geen goede hulp zijn, vond men.
Christen zijn in oppositie tegen de officiële kerk of helemaal in de
marge, het kan, maar binnen de kerk zet het weinig zoden aan de dijk. Men
gaf algemeen de voorkeur aan een houding van 'geloofwaardige orthodoxie
in een koersveranderende trouw'.
De Vlaamse dominicanen leveren een eigen bijdrage door
hun preekcursussen voor leken. Ze moeten daarin blijven investeren. Ze
zouden ook werk moeten maken van degelijke cursussen voor gebedsleiders
in niet-eucharistische vieringen. Ze beschikken ook over eigen
communicatiemiddelen en ze spreken daarmee een publiek aan dat breder is
dan de traditioneel kerkelijke kringen.
Een eigen bijdrage moeten ze zeker ook kunnen leveren
door van hun kerken en openbare kapellen een 'laboratorium' van
kerkelijke vernieuwing te maken, in loyale trouw aan hun overheden. Dat
ziet men op dit ogenblik niet overal gebeuren!
Wellicht kunnen we als leken toch ook iets bereiken,
vonden sommigen, door aan de bisschoppen een open brief te schrijven
waarin we onze grote bezorgdheid over de stand en de gang van zaken in de
kerk te kennen geven, plus ons verlangen dat ze ruimte zouden scheppen en
ook in middelen voorzien voor bezorgde mensen die zich loyaal inspannen
om de kerk toekomst te geven. We zijn 'maar' leken, maar overtuigde en
geëngageerde, kerkgetrouwe leken. Misschien vinden we een luisterend oor,
en hopelijk méér dan dat...
Eén zaak is wel duidelijk: de finale van de
dominicaanse leken betreffende 'Kerk en ambt' is allesbehalve een
eindpunt. Ze kunnen de bladzijde niet omdraaien. Ze staan voor een nieuw
begin. Nu gaat het erom de verworven inzichten in praktijk te brengen.