|
Dominicaans leven 2003/3 |
||
|
Voor doorsnee toeristen in Firenze behoort het dominicanenklooster van San Marco allicht niet tot de topklasse van de monumenten en kunstschatten waar hun belangstelling naar uitgaat. Maar wie de dominicanen kent en er enigszins mee vertrouwd is rekent het tot zijn favorieten. Misschien denken sommigen eerst aan Savonarola, de beruchte boetepredikant en hervormer. Hij was prior van het klooster toen hij door de al even beruchte paus Alexander VI als ketter werd veroordeeld en in 1498 op de brandstapel is gestorven (zie Dominicaans leven 1999/2). Hij heeft geen grafmonument gekregen (de as van zijn verbrande lichaam werd in de Arno verstrooid), alleen een gedenksteen in het plaveisel van het centrale stadsplein die de plaats aangeeft waar hij werd verbrand. Maar het hele klooster is één groot monument, gevuld met de schitterende kunstwerken van Fra Angelico. Preken met verf en penseel
Fra Angelico ('broeder der engelen'), of Beato Angelico, is de naam die men gegeven heeft aan de dominicaan Guido di
Pietro (Peeters dus in het Nederlands). Hij is geboren in een dorp in de
buurt van Firenze, misschien in 1387 maar waarschijnlijk even vóór of na
1400, en gestorven te Rome in 1455. Zijn artistiek talent moet al vroeg
ontdekt zijn. Hij was nog erg jong toen hij als leerjongen werd aanvaard
door een Florentijnse broederschap van kunstenaars. Nog als leerling kreeg
hij de opdracht mee te gaan schilderen in de bekende kerk van Santa Maria
Novella. Daar leerde hij de dominicanen kennen. Rond 1420 (volgens sommige
bronnen in 1407) is hij samen met zijn jongere (volgens sommige bronnen
oudere) broer Benedetto bij de dominicanen ingetreden, in het klooster van
San Domenico in Fiesole. In zijn levensbeschrijving van schilders en
beeldhouwers (1550) merkt Vasari hierbij aan dat hij zonder moeite een
werelds leven had kunnen leiden en, gezien zijn uitzonderlijke talenten, zo
rijk had kunnen worden als hij wilde, maar "hij werd dominicaan, vooral voor
het welzijn van zijn ziel en de vrede van zijn geest". Hij moet een sterk
contemplatieve aanleg gehad hebben, maar hij is wel een echte
'predikbroeder' geworden, zo niet met het woord of de pen, dan in elk geval
met penseel en verf. Zijn schilderkunst heeft hij helemaal in dienst van de
verkondiging van het evangelie gesteld. Een opmerkelijke episode in het leven van fra Angelico had volgens sommige bronnen te maken met het zgn. Westers schisma in de katholieke kerk. Aan het begin van de 15de eeuw waren er op een bepaald moment drie pausen, elk met hun eigen aanhangers en tegenstanders. Ook de dominicanen waren in verschillende kampen verdeeld. Omdat hij zich achter paus Gregorius XII schaarde moest fra Angelico, samen met anderen, weg uit het klooster van Fiesole. De gemeenschap trok naar Foligno en later naar Cortona. Foligno ligt in de buurt van Assisi, waar fra Angelico veel heeft opgestoken van de beroemde fresco's van Giotto in de basiliek van Sint-Franciscus. In Cortona heeft hij tijdens de 4 jaren van zijn verblijf enkele van de beste werken uit zijn vroege periode geschilderd. Ze worden bewaard in het bisschoppelijk museum van de stad. Na zijn terugkeer naar Fiesole is
fra Angelico daar volop aan het werk gegaan. Zijn voornaamste Detail uit 'Kroning van Maria' (Parijs, Louvre) Na enige tijd kreeg fra Angelico ook schilderopdrachten van buitenstaanders. Een merkwaardig voorbeeld is de bestelling van een madonna door de Florentijnse gilde van de lakenwevers. Het schilderij moest vervaardigd worden "met het beste en fijnste materiaal dat kon gevonden worden". Men zou hem 190 gouden florijnen betalen, "of minder als zijn geweten hem dat toestond". Het is, zijn fresco's buiten beschouwing gelaten, zijn grootste tableau geworden: 2,60 m op 3,30 m, maar volgens J.A. Nuyens helemaal niet zijn beste. Maar de twaalf engelen die erop afgebeeld staan hebben dankzij de vele reproducties die ervan zijn verspreid de schilder populair gemaakt en kunnen, aldus Nuyens, al volstaan om zijn naam 'Angelico' te rechtvaardigen. Van 1449 tot 1452 is fra Angelico in
Fiesole prior van het klooster geweest. Men heeft zich daarover verwonderd.
In 1438 was hij naar het klooster van San Marco in Firenze verhuisd en in
1445 had paus Eugenius IV hem naar Rome geroepen om voor hem in het Vaticaan
te werken. Het wordt als volgt uitgelegd. Vóór San Marco officieel als
klooster was erkend, werd aan de paters van Fiesole uitdrukkelijk gevraagd
hun persoonlijke voorkeur, voor hun vertrouwde klooster of voor San Marco,
uit te spreken. Fra Angelico koos voor Fiesole. Hij zou dan vanuit Rome naar
Fiesole teruggekeerd zijn om zijn priorsambt op te nemen en na 4 jaar zijn
werk in Rome hervat hebben. Dat hij geen wereldschuw artiest was en best in
staat om een gemeenschap te besturen, leidt men af uit de nuchtere
zakelijkheid waarvan hij blijk gaf in de contacten met zijn opdrachtgevers,
o.m. in zijn onderhandelingen met de rekenkamer van het Vaticaan. In 1436 werd aan de paters van Fiesole die voor San Marco hadden gekozen, gevraagd naar Firenze te komen om het grondig verbouwde klooster te bevolken. Meer dan een eeuw voordien was San Marco al een parochiekerk. Later werd ze toevertrouwd aan de silvestrijnen, die het klooster hebben gebouwd. Maar die monnikenorde raakte in verval. Op een bepaald moment wilden de burgerlijke autoriteiten maatregelen nemen tegen de verkrotting van het kloostergebouw en het een nieuwe bestemming geven. Ze gingen aankloppen bij de dominicanen, die het aanbod aanvaardden. Cosimo de Oude van de Medici-familie nam een befaamd architect in dienst om, op zijn kosten dus, klooster en kerk op te knappen en te vernieuwen. Toen de werken voldoende gevorderd waren namen de dominicanen er hun intrek. Het was ook Cosimo de Medici die fra Angelico naar San Marco liet halen. Hij rekende op hem om het klooster artistiek aan te kleden. Een klooster is een religieuze leef- en werkruimte. Als ze artistiek opgesmukt wordt, moet dat gebeuren in dienst van de mensen die erin leven en werken, en alleen onrechtstreeks met het oog op occasionele bezoekers. Zo heeft fra Angelico zijn taak opgevat. Zijn schilderijen en fresco's waren niet alleen religieuze kunst wat hun thematiek betreft maar eerst en vooral door hun functie: een hulpmiddel voor zijn confraters bij hun gebed en meditatie en hun predikatie. Van dit oorspronkelijk doel zijn ze afgewend toen San Marco in 1866 staatseigendom werd en in 1869 als museum voor het publiek werd opengesteld. Sindsdien zijn het dus museumstukken. Hun oorspronkelijke functie blijft misschien in zover bewaard, dat ze voor religieus ingestelde bezoekers een vorm van predikatie zijn. Niet alle fresco's in San Marco zijn door fra Angelico eigenhandig geschilderd. Dat valt best te begrijpen: het zijn er ongeveer vijftig (waarvan 34 in even zoveel kloostercellen). Hij heeft gewerkt met assistenten, onder wie ook zijn broer. Dit verklaart de ongelijke kwaliteit van de muurschilderingen. Op de muur moest een laag vochtige pleisterkalk aangebracht worden. Die vochtige of verse ('fresco') laag werd dan beschilderd met natte klei in de gewenste kleuren. Het water en het vocht verdampen en de kleuren vermengen zich met het pleister dat hard wordt. De juiste kleurenverhoudingen worden pas zichtbaar als de muur opgedroogd is, maar 'retouches' zijn dan niet meer mogelijk. De kunst bestaat er dus in van meet af aan de kleuren nauwkeurig te kiezen en trefzeker op de juiste plaats aan te brengen. Daarin heeft fra Angelico zijn meesterschap getoond. Veel dominicanen zijn bij wijze van spreken opgevoed met fra Angelico's afbeeldingen van Dominicus. Maar wat ze te licht vergeten is dat hij nooit een 'portret' heeft geschilderd. De afbeeldingen zijn altijd onderdeel van een tafereel: de gekruisigde Jezus, de graflegging, de kroning van Maria in de hemel, enz. Het gaat niet om Dominicus, maar om de gebeurtenis uit de heilsgeschiedenis waarvan hij als getuige wordt opgevoerd. Het mooiste en meest bekende voorbeeld is de uitbeelding van de bespotting van Jezus. Dominicus, rechts onderaan, kijkt er niet naar, geschokt, medelijdend of verontwaardigd; neen, hij zit vroom te mediteren met de Heilige Schrift geopend op zijn schoot.
Van Rome tot Sint-Petersburg Zoals al vermeld is fra Angelico in 1445 door paus Eugenius IV naar Rome geroepen om in het Vaticaan een nieuwe sacramentskapel met fresco's te versieren. Volgens een betrouwbare bron heeft de paus hem even later het ambt van aartsbisschop van Firenze aangeboden, maar hij voelde daar niets voor en heeft beleefd geweigerd. Wat hij juist geschilderd heeft weten we niet meer. De kapel werd honderd jaar later afgebroken om plaats te maken voor een monumentale trap naar de Sixtijnse kapel. Van de volgende paus kreeg hij een nieuwe opdracht: de versiering van diens privé-kapel. In die Niklaaskapel heeft fra Angelico zijn schilderstijl 'aangepast' aan de nieuwe modes van de Renaissance en getoond dat hij daartoe goed in staat was. Zijn (vooral dominicaanse) biografen haasten zich hieraan toe te voegen dat hij daarbij zichzelf niet heeft verloochend. In 1447 onderbrak fra Angelico zijn werkzaamheden in Rome om te gaan werken in Orvieto. Men had hem daar gevraagd een kapel in de domkerk te decoreren. Het contract bepaalde dat hij drie jaar na elkaar tijdens de zomermaanden zou komen werken, voor 200 gouddukaten per jaar. Eén jaar heeft hij geschilderd aan een majestueus 'Laatste Oordeel'. Het fresco bleef onvoltooid (beperkt tot 2 panelen) tot in 1499. Toen is het in een heel andere stijl afgewerkt door Luca Signorelli. De cataloog van al de werken van fra
Angelico bevat niet minder dan 135 titels. Uit die cataloog blijkt
Wie toegang heeft tot het internet vindt een mooie reeks van 27 afbeeldingen van werken van Fra Angelico op de webstek van de Canadese dominicanen: www.spiritualite2000.com/Art/Angelico/exposition.htm. B.J. De Clercq o.p. |
||
|
||