VIERINGen in het DOMINICUSHUIS

   
   

 

Zien wat ik kan doen
(26 oktober -30ste zondag)

Welkom!
De evangelielezing van vandaag neemt ons verder mee op Jezus’ weg naar Jeruzalem. Vorige zondagen hoorden we hoe Jezus zijn leerlingen inwijdde in het lijden dat hem te wachten stond. En al hadden die leerlingen het in Jezus gezien toch bleek onderweg dat ze nog niet echt begrepen waar het Jezus om te doen was. Jakobus en Johannes hadden de beste plaats in het rijk van God voor ogen. De tien andere leerlingen reageerden jaloers. Jezus’ eigenste leerlingen waren nog altijd uit op eigenbelang. Bartimeüs doorbak alle vorige motieven. Hij vroeg gewoon niet om het herstel van de functie van zijn ogen, ging niet langer zijn eigen weg, bleef niet zitten, maar zag in Jezus alle heil.
Aan zo’n vurig geloof mogen we ons dit uur spiegelen en er ons door laten aanspreken. Laten we, misschien bewuster dan ooit, de viering beginnen met een kruis-teken.

Gebed om ontferming

Heer, Gij zijt de Weg!
Gij maakt ons nieuw en herboren.

Christus,op weg naar het kruis staat Gij stil
bij een arme, marginale mens.
Gij staat stil bij alle mensen.
Wij kunnen het moeilijk hebben met sommige mensen.
Ook zij zijn onze naasten.

Heer, Gij veroordeelt niemand. Het gebeurt dat wij mensen in een verkeerd daglicht stellen
omdat we niet zien, geen moeite doen om hun bedoelingen te begrijpen.

Wij hopen God, dat wij leren zien wat er gebeurt vandaag,
wat mensen verbindt, wat mensen verscheurt.
wij hopen dat wij de weg mogen ontdekken waarlangs U, God,
ons leidt naar volheid van leven, vandaag en morgen en alle dagen van ons leven. Amen.

Openingsgebed

God, de vraag van Bartimeüs is ook onze vraag. We zouden zo graag naar onze medemensen kijken met de ogen waarmee Jezus dat deed. In elkemens bleef Hij uw beeld en gelijkenis herkennen. We hopen, God, dat de verhalen over Jezus ons zó inspireren dat we erin slagen met Hem zijn weg te gaan. Dan, God, wordt het goed om leven op aarde, vandaag en elke dag opnieuw, tot in eeuwigheid. Amen.

Homilie

Jezus is op weg naar Jeruzalem, met een oponthoud in Jericho. Op die tocht naar Jeruzalem gebeurt er van alles. Dat is heel normaal. Iedere mens maakt dat mee wanneer hij op tocht gaat. Hij ziet andere dingen, ziet dingen anders, ontmoet mensen, en onverwachte voorvallen blijven niet uit. Bekijken we eens de voorbije zondagen. Vijf zondagen  geleden vroeg Jezus aan zijn leerlingen (’s avonds, misschien tijden het avondmaal), waarover ze het die dag hadden gehad, maar ze zwegen. Ze hadden immers gediscussieerd over wie wel de voornaamste mocht zijn. Daartegenover plaatste Jezus een kind met de mededeling: discussieert daar maar eens over. De volgende zondag gebeurde iets dergelijks. De leerlingen maakten hun beklag bij Jezus dat iemand die niet tot hun groep behoorde duivels had uitgedreven. Ze wilden het alleenrecht op genezingen en dergelijke. Het ging om de vraag naar bevoegdheid: wie wat mag zeggen en wie wat mag doen. Jezus antwoordde: wie niet tegen ons is, is voor ons. De zondag daarop maakten we het dispuut mee met de farizeeën in verband met het huwelijk : Hoe zit dat nu eigenlijk ? Mag een man zijn vrouw verstoten of niet? Jezus reageerde met hen het ideaal voor te houden zoals het in het scheppingsverhaal is vertolkt. Dan hadden we de ontmoeting met de rijke jongeman of de jonge rijke. Deze wilde Jezus wel volgen, maar haakte uiteindelijk toch af omdat hij teveel gehecht was aan zijn bezittingen, waarop Jezus zei: jongens, wat is het moeilijk voor een rijke in het Rijk Gods te komen. Vorige zondag waren het dan de twee broers Jakobus en Johannes die Jezus in alle stilte bij de mouw trokken en een voortreffelijk plaatsje voor later wilde regelen, nl. links en rechts van Jezus. Van vooruitziendheid gesproken. Jezus reageerde met te zeggen dat de Mensenzoon gekomen was om zijn leven te geven. Op die tocht naar Jeruzalem probeerde Jezus zijn leerlingen inzichten, houdingen en normen bij te brengen die horen bij het Rijk Gods dat hij kwam vestigen. Maar blijkbaar hadden de leerlingen daar weinig oog en oor voor. Zij waren bekommerd om hun eigen persoontje, hun goed plaatsje, hun positie, hun macht, enz.

Vandaag krijgen we dan het verhaal van Bartimeüs. Van deze man wordt gezegd dat hij de zoon is van Timeüs, dat hij blind is (dat hij niet ziet) en dat hij een bedelaar is; hij is gehuld in een bedelaarsmantel.
Toen Bartimeüs hoorde dat Jezus in de buurt was, begon hij te roepen: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij’, maar de omstaanders deden hem zwijgen. De gezonden wilden Jezus voor zich alleen hebben. Een Messias voor de sterken… maar niet voor de zwakken. Eigenlijk zijn ook zij blind. Zij zien immers niet dat de Messias juist gekomen is voor de zwakken, de kleine mensen. Zij zien niet wat voor Jezus belangrijk is: de hand uitsteken naar wie hulp nodig heeft. Bartimeüs laat zich niet doen; hij begint nog luider te roepen.
Jezus roept Bartimeüs bij zich en vraagt hem : ‘Wat kan ik voor u doen?’ Dezelfde vraag hoorden we vorige zondag ook stellen aan de twee broers. Jezus wil dat Bartimeüs zijn diepste ellende voor hem uitspreekt. Zo ontstaat er een persoonlijke band met die man. Zijn ellende aan iemand kenbaar maken is teken van groot vertrouwen in die persoon. En zo begrijpen we beter de woorden van Jezus een beetje verder in het evangelie: ‘Uw geloof, uw vertrouwen in mij is uw redding’. Geloven is op de eerste plaats een kwestie van vertrouwen. Geloven is niet zozeer een overtuiging maar een persoonlijke vertrouwensband met iemand: met Jezus, met God.
En Bartimeüs gooit zijn mantel af, zijn bedelaarsmantel, en komt naar Jezus toe. Deze mantel was wellicht zijn enigste bezit, diende waarschijnlijk ook  als beschutting tegen de koude en als deken waarin hij sliep. Hij gooit die af. Hij wil breken met zijn verleden, met zijn blindheid, met zijn bedelaarsberoep. Hij gooit zijn mantel af als teken dat hij klaar wil zijn, open wil staan voor iets nieuws, voor een nieuwe toekomst, voor een nieuwe zienswijze die Jezus hem aanbiedt. De vroegere toestand is voorbij. Jezus biedt hem een nieuw leven aan: een leven met hem en vanuit hem. Dat ziet Bartimeüs, dat ziet hij in en meteen ziet hij ook wat hem te doen staat. Hij trekt met Jezus mee, op weg naar Jeruzalem. En hoe meer hij Jezus volgt, hoe meer hij in Jezus de Zoon van God gaat zien en erkennen.

Eigenlijk wordt in het proces dat Bartimeüs doormaakt in grote lijnen het geloofsproces van elk mens geschetst. Zijn eigen levensnood erkennen en met die levensnood naar God gaan. Zo ontstaat er een vertrouwensrelatie en gaat men inzien dat God die levensnood kan vervullen. Dan zal men ook inzien wat ons te doen staat: God aanvaarden in ons leven, met hem op weg gaan… En in de mate dat we dat doen,zullen we geleidelijk gaan zien dat hij onze Redder is.
Zou Bartimeüs ook niet model kunnen staan voor ons en voor vele mensen in onze tijd? Misschien zien wij het ook altijd niet zo goed of niet meer zo goed, of misschien zien we het helemaal niet meer… Misschien denken we dat we het allemaal klaar zien of zijn we ons niet bewust dat we niet zien, zoals de omstaanders in het evangelie…Misschien willen we het niet zien… In dit geval zal Jezus ook voor ons niet veel kunnen doen.
Misschien worden we overschreeuwd door het lawaai van onze tijd die ons toeroept dat het allemaal geen zin heeft, dat het voorbijgestreefd is, dat het allemaal nutteloos en ouderwets is… En in plaats van harder te roepen, zoals Bartimeüs, capituleren wij en zwijgen we.
Proberen we door al het geroezemoes en lawaai van onze tijd heen toch de stem van Jezus te horen die ook aan ons vraagt: ‘Wat kan ik voor je doen?’

Jan Arnouts o.p.

Voorbeden
Jezus bleef niet onverschillig voor de roep van Bartimeüs.
Hij zal ook niet onverschillig zijn als wij tot Hem roepen.

Bidden we voor alle geloofsopvoeders:
ouders, catechisten, leerkrachten…
en bidden we voor alle voorgangers in liturgische vieringen:
voor alle vormgevers daarvan,
en voor alle deelnemers daaraan:
dat hun geloof vurig,
enthousiast en aantrekkelijk mag zijn.

Bidden we voor alle geloofsverkondigers:
missionarissen, theologen, predikanten en voor hen die verkondigen metterdaad:
dat hun woorden en daden overtuigend mogen zijn, vurig en aanstekelijk.

Bidden we voor mensen die ziek zijn en lijden:
en laten we ze hier bij naam noemen (...)
dat zij zorgende mensen ontmoeten,
betrokken, fijngevoelig en lief.

Gebed over de gaven

God, mogen wij bij het begin van deze tafeldienst onze gebedsintenties
samen met uw gaven van brood en wijn aanbieden?
Want, God, in wat we hier doen, brood breken en delen, de beker met wijn drinken, drukken we niet alleen onze onderlinge verbondenheid uit. In deze tekens zien we uw verbondenheid met ons. In deze tekens willen wij Christus tot leven brengen, onszelf
geven tot geluk van alle mensen vandaag en morgen en elke dag opnieuw. Daarom danken wij U, God, tot in eeuwigheid. Amen.

Bezinning 
Net zoals Jezus ;het toen vroeg aan Bartimeüs, zo wil Ik het vandaag ook aan jou vragen -zegt God: Wat wil je dat Ik voor je doe?
En misschien mag Ik ook jouw ogen openen, zodat je kunt zien
waar het in je leven op aankomt.
Misschien noem je me zelfs ‘Rabboeni’, ‘Heer’, ‘Meester’, en mag Ik je voorgaan in de kunst van een solidair en liefdevol leven.
Als je me dat vraagt, wil Ik dat graag voor je doen -zegt God.

Zending en zegen
Hij riep luidkeels, hij sprong overeind, een en al vertrouwen,
en volgde Jezus op zijn weg.
Dat Bartimeüs’ geloof het onze mag worden,
dat wij in woord en daad volgelingen van Jezus mogen worden.
Daartoe zegene ons de almmachtige God...

top terug