Het eerste werkveld van pater
Callewaert is Oostende geweest. In minder dan drie jaar tijd heeft hij daar zijn
naam en faam van predikant gevestigd: niet alleen in de dominicanenkerk maar op
talrijke plaatsen waar hij gevraagd werd om een retraite te preken of een
gelegeheidssermoen, of een reeks lezingen te houden. Toen al gaf hij een
bijzondere aandacht aan de studentenpastoraal. Hij stichtte een
St-Thomasgenootschap, volgens het Leuvense model. Toen ook al kreeg hij last met
de kerkelijke autoriteiten van het bisdom. Volgens zijn biograaf, J.A. Nuyens,
vooral om twee redenen. Het succes van zijn preken trok gelovigen weg uit de
parochiekerken en hij weigerde lezingen te houden in een zaal die het duidelijk
stempel van de Katholieke Partij droeg.
Aan het begin van de oorlog week
Callewaert uit naar Engeland. Eind 1914 werd hij naar Stockport, in de buurt van
de industriestad Manchester, geroepen en belast met de zielzorg van de ongeveer
8.000 Belgische vluchtelingen in de omgeving. Hier begon zijn
schrijversloopbaan. Hij schreef regelmatig in De Stem uit België en af
en toe ook in De Belgische
Standaard en Ons Vaderland, het blad van de frontsoldaten. Zijn
confrater Rutten schreef hem vanuit Londen om zijn waardering voor de artikels
uit te drukken, maar er zat in de brief een addertje onder het gras: "Uw zo
fraaie artikels zouden er volstrekt niets bij verliezen indien de woorden
'Vlaamse' en 'Vlaanderen' op menige plaats door 'Belgische' en 'België' zouden
worden vervangen. Geloof me, dit wordt meer opgemerkt dan u wellicht
denkt." Later bleek deze bedenking een teken aan de wand geweest te zijn.
De banneling
Begin 1919 keerde pater
Callewaert terug naar zijn vaderland en hervatte zijn werk in Oostende, nu ook
bij de Vlaamse oud-soldaten verenigd in de Frontbeweging. Dit werd hem door de
autoriteiten niet in dank afgenomen. Na korte tijd werd hij persona non grata
in zijn land verklaard. Zijn provinciaal stelde hem voor naar Rome te verhuizen
om er te gaan voortstuderen en na een paar jaar, als de situatie wat rustiger
zou geworden zijn, terug te keren. Een ander voorstel was dat hij als
missionaris naar Congo zou afreizen. Uiteindelijk is de plaats van zijn
ballingschap Ierland geworden. In het jaar van zijn ballingschap (1920-21) begon
hij te werken aan een boek over 'Ierland
en het Ierse volk'.
Vlak vóór de Tweede
Wereldoorlog is hij nog eens verbannen, van Gent naar Antwerpen. De officiële
reden was dat hij belast werd met de opdracht in het Antwerpse
dominicanenklooster het "op verschillende niveaus geschokte prestige te
herstellen". Maar dat geloofde niemand. Hij kon in Antwerpen niet aarden.
Zijn werkterrein bleef in Gent liggen. Hij is tot bij de magister-generaal
Gillet gaan aankloppen met het verzoek naar Gent terug te mogen keren. Het
antwoord was laconiek: "er is tussen Antwerpen en Gent niet een afstand
zoals die van Bordeaux naar Parijs...
Bij de inval van het Duitse leger
bleef Callewaert met nog één confrater in het klooster, terwijl al de andere
op de vlucht sloegen, sommige tot diep in Frankrijk. Misschien was dat een van
de redenen waarom ze hem na hun terugkeer tot hun prior (overste) kozen. Maar
dat was vergeefse moeite. De provinciaal verbrak hun keuze ('casseren' heet dit
in het officiële jargon). Iemand had kardinaal Van Roey geïnformeerd over
de kansen van Callewaert op het prioraat en die had een 'cassatie' door de
provinciaal geëist. Nu kon de provinciaal geen steekhoudende reden maar
bedenken om pater Callewaert te verhinderen naar Gent terug te keren.
Tijdens de oorlog heeft pater
Callewaert veel minder gepreekt. Hij had des te meer tijd om te lezen en vooral
te schrijven. In 1941 verscheen ...En Vlaanderen voor Christus, een
bundeling van enkele brochures, radiopreken een van een selectie uit zijn
preken. Het was het zoveelste boek. In de steekkaartenbak van de Leuvense
kloosterbibliotheek vond in meer dan 20 verschillende titels. J.H. Walgrave
schreef bij zijn overlijden: "Ik geloof niet dat een van zijn werken zal
blijven leven." Hij heeft gelijk gekregen. Maar voor de dominicanen blijven
ze niettemin een kostbaar relikwie.
Toen hij na de oorlog uit de
gevangenis werd ontslagen en anderhalf jaar in Italië in 'ballingschap' had
geleefd, heeft pater Callewaart in Gent in de grondig gewijzigde omstandigheden
maar met dezelfde gedrevenheid als voorheen draad weer opgenomen. Tot eind de
jaren '50 heeft hij geschitterd als gevierde predikant. Zijn jaarlijkse
vastensermoenen (eigenlijk conferenties: zo'n drie kwartuur lang) waren een
begrip. Walgrave geeft er een indrukwekkende beschrijving van.
"Gewoonlijk begon hij stil
en langzaam. Hij zette klaar uiteen waarover hij spreken zou, ontvouwde zijn
plan en volgde de heldere lijn van een goed geordend betoog. Elke lettergreep
werd duidelijk gearticuleerd. Elk woord klonk krachtig door tot in de verste
hoek. Van meet af aan kon men de beheerste bezieling aanvoelen die weldra
doorbreken zou, in brede, sidderende golven van een pathetisch betoog, in vragen
die naar het hart van het gehoor werden afgevuurd, in koninklijke, gebiedende
affirmaties, opstijgend tot een climax, een kreet, die als een bliksem bij nacht
afstak tegen de ademloze stilte van het publiek. Dan kon hij zijn stem laten
dalen, zacht, verpozend, rustig, totdat een nieuwe golf van bezieling hem naar
omhoog tilde... Het was uniek, onnavolgbaar."
Voor hem was een echte preek een
religieuze kunstschepping en hij verzorgde zijn woord met de liefde en de
eerbied die een echt kunstenaar zijn werk toedraagt. Het moest af zijn en gaaf,
schitterend als een juweel. Met dezelfde zorg die hij aan vorm en voordracht
besteedde, heeft hij ook steeds aan de inhoud gewerkt. Hij was geen
oorspronkelijk denker en voelde niet veel voor subtiliteiten. Maar gezond
verstand had hij, een klare kop en een scherpe opmerkingsgave... Wanneer hij
improviseerde of zich liet gaan, was hij niet op zijn best. Al was hij van
nature een redenaar, toch was zijn prediking de vrucht van lange oefening en
zorgvuldige voorbereiding."
De flamingant
Pater Callewaert heeft altijd
geprobeerd zich buiten de politiek te houden, maar ondanks hemzelf is hij erin
verwikkeld en vestrikt geraakt. Hij was overtuigd Vlaamsgezind omdat hij een
Vlaamse katholiek was, - niet andersom: een katholieke Vlaming. Als een van
meest beluisterde religieuze leiders van de Vlaamse Beweging had hij natuurlijk
politieke invloed. Dat wist hij zeer goed, en daarom lette hij erop zijn woorden
te wikken en te wegen als hij in zijn preken en toespraken om religieuze
reden de 'Vlaamse kwestie' ter sprake meende te moeten brengen.
Twee 'politieke' geschriften uit
de oorlogsjaren verdienen een bijzondere aandacht, omdat ze belangrijke gevolgen
hebben gehad.
Begin april 1943 liet Callewaert
een brief bezorgen aan dr. Elias, leider van het VNV, waarin hij deze partij
scherp op de korrel neemt. Het VNV, schreef hij, steunt op twee valse principes:
1. Duitsland moet de oorlog
winnen.
2. De ideologie van de partij moet het nationaal-socialisme zijn.
Voor Callewaert is het evident:
het is het Vlaamse volk dat moet winnen, en dat zal niet gebeuren als zich bindt
aan Duitsland. Wel integendeel: als de Duitsers volledig winnen en de lakens
uitdelen in Europa, betekent dat het einde van het Vlaamse volk. Het
nationaal-socialisme "betekent voor Vlaanderen de verloochening van zijn
katholiciteit en de verheidensing over de hele lijn, wat wij als katholieken
nooit mogen en nooit kunnen aannemen, hoewel we gerechtigd zijn soms zeer
antiklerikaal te zijn, juist om de essentie van het katholicisme te
redden." Het is pater Callewaert dus te doen om het Vlaamse volk. Hij
nuanceert: dat is niet de volksmassa. Daarover schrijft hij zeer harde woorden:
"... de bevolkingsmassa die ik noem een hondenras met hier en daar een
rashond tussen; bevolkingsmassa die gehoorzaamt aan twee driften: het succes en
de buik." Deze krasse uitspraak is hem door zeer velen kwalijk genomen.
De conclusie van de brief luidt ondubbelzinnig: de leiding van het VNV moet
rechtsomkeer maken en bereid zijn desnoods de gevangenis in te gaan, voor het
welzijn van Vlaanderen.
Deze brief aan de VNV-leiding is
natuurlijk publiek gekend geraakt en heeft voor heel wat opschudding gezorgd,
zowel ik kerkelijke als in politieke kringen. De bisschop van Gent verklaarde
aan een Gentse dominicaan: "Ik zou p. Callewaert zijn jurisdictie willen
ontnemen, zoals in het bisdom Brugge. Maar ik wil geen martelaren maken."
Het tweede document heeft een
meer vertrouwelijk karakter behouden. Namens het 'comité voor de rehabilitatie
van koning Leopold III' werd aan pater Callewaert gevraagd zijn opinie neer te
schrijven over zeven kwesties i.v.m. de huidige en toekomstige positie van de
koning en het oordeel van de Vlamingen daarover. Hij heeft dit gedaan is een
uitgebreide nota van een tiental gedrukte bladzijden. Ondanks alle beloften van
geheimhouding is de tekst toch in verschillende verkeerde handen terecht gekomen
en gebruikt tegen zijn auteur en tegen de koning.
Een zeer heikele kwestie was de
deelname van Vlaamse jongens aan de Duitse oorlog tegen de Sovjetunie: de
zogenaamde Oostfrontstrijders. Over de houding van pater Callewaert op dit punt
blijven hardnekkige misverstanden bestaan. Kort en krachtig samengevat: alle
studenten en oud-studenten die bij hem te rade kwamen, heeft hij dit afgeraden.
Hier stond hij lijnrecht tegenover Cyriel Verschaeve. In een lange bladzijde van
zijn oorlogsdagboek geeft hij zijn oordeel over Verschaeve en probeert hij te
verklaren hoe deze zich zo zwaar heeft kunnen vergissen door alle gezag dat hij
bezat in te zetten voor de zwaarste collaboratie met het nazisme. Hij moest toch
ook weten dat de Vlaamse jongens in Rusland moesten vechten en sterven zonder
priester en zonder sacramenten? Hoe kon hij dan propaganda maken voor de
Oostfrontstrijders? In zijn stellingname tegen Verschaeve spreekt pater
Callewaert nog eens zijn diepste overtuiging uit. Ook indien Vlaanderen na de
oorlog, die de Duitsers zeker gaan verliezen, ten onder zou gaan, is dit
"een minder kwaad dan dat het katholiek geloof vergaat".
Op 20 april 1945 werd pater
Callewaert in het klooster van Gent gearresteerd en na een verblijf in een
interneringskamp in de gevangenis opgesloten. In februari '46 begon zijn proces
voor de krijgsraad. Uitspraak van de auditeur: 6 jaar hechtenis, maar afwijzing
van de eis vanwege de Belgische staat om 6 miljoen fr. vergoeding te betalen.
Daags nadien al gaat de veroordeelde in beroep en op 11 april verschijnt hij
voor het krijgshof. Na één zitting volgt de uitspraak: 12 jaar hechtenis, geen
vergoeding aan de Belgische staat. Men heeft beweerd dat hij zelf zijn kansen op
een vrijspraak in beroep heeft verknoeid door per se zichzelf te willen
verdedigen. Maar dat kan natuurlijk niemand bewijzen. Wat niet moet bewezen
worden is dat hij de kans die de rechter hem bood heeft aangegrepen om een
publiek getuigenis af te leggen en dat dit grote indruk heeft gemaakt. Een van
de officieren van het hof zou gezegd hebben: "Il est capable de boulverser toute la Belgique."
Na iets meer twee dan jaar van
straf te hebben uitgezeten bood men pater Callewaert invrijheidstelling aan, op
voorwaarde dat hij naar het buitenland zou uitwijken. Dat kwam dus neer op een
'vrijwillige' ballingschap. Na enig aarzelen aanvaardde hij het voorstel, maar
onderstreepte in zijn brief de woorden voorlopig en tijdelijk
m.b.t. tot zijn verblijf in een land "waarheen mijn oversten me zullen
sturen en zo lang zij het wensen". De minister van Justitie had Biaritz
voorgesteld. Uiteindelijk werd het Neggio, in de buurt van de stad Lugano. Daar
heeft hij in een klooster van uit Oostenrijk verdreven dominicanessen zo'n 6
maanden de dienst van aalmoezenier heeft waargenomen. Vóór hij definitief naar
huis terugkeerde is ter gelegenheid van het kerkelijk Heilig Jaar naar Rome op
bedevaart getrokken. Hij wou ook nog het werk van Oostpriesterhulp gaan
bekijken, maar op de internationale reispas die hij verkreeg stond de beperking
'behalve voor Duitsland."
Met Pasen 1950 was pater
Callewaert opnieuw in het Gentse klooster, sprankelend van vitaliteit en
getuigend van een zelfde werklust als voorheen. Hij heef zich zonder veel
problemen ingeschakeld in de activiteiten van zijn jongere confraters en hun
eigen methode van werken, o.m. in de retraites voor de collegejeugd. Maar hij
ontpopte zich ook opnieuw als de solist-predikant voor de grote gelegenheden. In
1956 is hij nog eens plechtig gevierd ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag
en zijn gouden kloosterjubileum. Een pittig detail: voorzitter van de
feestzitting was de bekende wielersportjournalist Karel Van Wynendaele, omdat
hij een boezemvriend van pater Callewaert was maar vooral omdat hij iemand was
"die buiten en boden de politiek stond" (J.A. Nuyens). In 1952
publiceerde hij zijn jongste boek: Levensgezondheid - Brieven aan jonge mensen.
Veel origineels stond er niet in. De meeste brieven gaan terug op toespraken en
op reeds gepubliceerde teksten in een aantal tijdschriften.
Begin de jaren zestig begon zijn
gezondheid hem snel en grondig in de steek te laten. Na een ernstige beroerte
moest hij gehospitaliseerd worden. Af en toe kon hij nog eens deelnemen aan een
bijzondere religieuze plechtigheid, maar hij is niet meer levend uit het
ziekenhuis gekomen.
Na zijn dood, in 1964, schreef de
Gazet van Antwerpen: "Hij heeft zijn leven opgebouwd als een IJzertoren.
Zijn blijvende verdienste werd in Het Volk geresumeerd in twee punten.
Pater Callewaert is een van de groten van ons volk "door de vernieuwing van
de predikatie die hij heeft ingeluid in onze gewesten, doctrineel georiënteerd;
door de religieuze ontvoogding die hij nastreefde voor de Nederlandstalige
katholieke leken van ons land. Dit gebeurde door zijn actie onder de katholieke
studenten aan de Rijksuniversiteit Gent en door zijn bewust doorgevoerde
scheiding van partijpolitiek en godsdienst. Op beide punten was pater Callewaert
ver op zijn tijd vooruit."
Voornaamste bronnen
J.A. NUYENS, Pater L.J. Callewaert,
Mortsel, 1969
J.H. WALGRAVE, Pater J. Callewaert ter nagedachtenis, in Kultuurleven,
1965, p. 12-20
B.J. De Clercq o.p.