Dominicaans leven

2001/1


Terug



Pater L.J. Callewaert, predikant en flamingant


Pentekening van E. Devloo, 1968 "Het gebeurt niet dikwijls dat in een land een pater de populariteit van al de wielrenners, toneel- en filmspelers (waarbij de politici gerekend) in de schaduw stelt." Dat stond in het weekblad Ons Land, jaargang 1936, te lezen in het verslag van de grootse publieke huldiging van pater Callewaert ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag.

Juul Callewaert is geboren te Torhout, de jongste zoon van een boerengezin. Toen hij zich in het Leuvense dominicanenklooster ging presenteren, had hij nog nooit een dominicaan in levende lijve gezien. Hij had wel de beroemde Franse dominicaan Lacordaire uit diens geschriften en waarschijnlijk ook van afbeeldingen leren kennen. Zoals Lacordaire wilde hij predikant worden. Vandaar zijn keuze voor de predikheren. Hij was ook flamingant. Zijn vlaamsgezindheid dankte hij aan zijn studententijd in het klein seminarie van Roeselare. In die beide opzichten, als predikant en als flamingant, heeft hij als geen ander uitgeblonken.

De predikant

Toen Callewaert in 1912 priester werd gewijd, was hij al goed op zijn taak van predikant voorbereid.
Als student in Leuven had hij nog iets anders gedaan dan filosofie en theologie studeren. Al tijdens zijn noviciaatsjaar in La Sarte (Wallonië) zat op zolders en in kelders zijn stem te oefenen voor een denkbeeldig gehoor. Zo is hij zeer bewust zijn natuurtalent beginnen te ontwikkelen, helemaal op eigen houtje. Had hij een beroep gedaan op deskundige hulp en advies, dan had hij misschien sommige opvallende gebreken kunnen corrigeren: zijn scherpe stem en zijn zware West-Vlaamse tongval. Maar volgens zijn confrater J.H. Walgrave (let wel: ook West-Vlaming) was dat alles geen handicap. Zijn gebreken "maakten evenzeer deel uit van de unieke stijl waarin zijn persoonlijkheid zich uitsprak als de eigen klankeffecten van een Lacordaire, de grootste kanselredenaar van de moderne tijd en misschien van alle tijden".

Het eerste werkveld van pater Callewaert is Oostende geweest. In minder dan drie jaar tijd heeft hij daar zijn naam en faam van predikant gevestigd: niet alleen in de dominicanenkerk maar op talrijke plaatsen waar hij gevraagd werd om een retraite te preken of een gelegeheidssermoen, of een reeks lezingen te houden. Toen al gaf hij een bijzondere aandacht aan de studentenpastoraal. Hij stichtte een St-Thomasgenootschap, volgens het Leuvense model. Toen ook al kreeg hij last met de kerkelijke autoriteiten van het bisdom. Volgens zijn biograaf, J.A. Nuyens, vooral om twee redenen. Het succes van zijn preken trok gelovigen weg uit de parochiekerken en hij weigerde lezingen te houden in een zaal die het duidelijk stempel van de Katholieke Partij droeg.

Aan het begin van de oorlog week Callewaert uit naar Engeland. Eind 1914 werd hij naar Stockport, in de buurt van de industriestad Manchester, geroepen en belast met de zielzorg van de ongeveer 8.000 Belgische vluchtelingen in de omgeving. Hier begon zijn schrijversloopbaan. Hij schreef regelmatig in De Stem uit België en af en toe ook in De Belgische Standaard en Ons Vaderland, het blad van de frontsoldaten. Zijn confrater Rutten schreef hem vanuit Londen om zijn waardering voor de artikels uit te drukken, maar er zat in de brief een addertje onder het gras: "Uw zo fraaie artikels zouden er volstrekt niets bij verliezen indien de woorden 'Vlaamse' en 'Vlaanderen' op menige plaats door 'Belgische' en 'België' zouden worden vervangen. Geloof me, dit wordt meer opgemerkt dan u wellicht denkt." Later bleek deze bedenking een teken aan de wand geweest te zijn.

De banneling

Begin 1919 keerde pater Callewaert terug naar zijn vaderland en hervatte zijn werk in Oostende, nu ook bij de Vlaamse oud-soldaten verenigd in de Frontbeweging. Dit werd hem door de autoriteiten niet in dank afgenomen. Na korte tijd werd hij persona non grata in zijn land verklaard. Zijn provinciaal stelde hem voor naar Rome te verhuizen om er te gaan voortstuderen en na een paar jaar, als de situatie wat rustiger zou geworden zijn, terug te keren. Een ander voorstel was dat hij als missionaris naar Congo zou afreizen. Uiteindelijk is de plaats van zijn ballingschap Ierland geworden. In het jaar van zijn ballingschap (1920-21) begon hij te werken aan een boek over 'Ierland en het Ierse volk'.

Vlak vóór de Tweede Wereldoorlog is hij nog eens verbannen, van Gent naar Antwerpen. De officiële reden was dat hij belast werd met de opdracht in het Antwerpse dominicanenklooster het "op verschillende niveaus geschokte prestige te herstellen". Maar dat geloofde niemand. Hij kon in Antwerpen niet aarden. Zijn werkterrein bleef in Gent liggen. Hij is tot bij de magister-generaal Gillet gaan aankloppen met het verzoek naar Gent terug te mogen keren. Het antwoord was laconiek: "er is tussen Antwerpen en Gent niet een afstand zoals die van Bordeaux naar Parijs...

Bij de inval van het Duitse leger bleef Callewaert met nog één confrater in het klooster, terwijl al de andere op de vlucht sloegen, sommige tot diep in Frankrijk. Misschien was dat een van de redenen waarom ze hem na hun terugkeer tot hun prior (overste) kozen. Maar dat was vergeefse moeite. De provinciaal verbrak hun keuze ('casseren' heet dit in het officiële jargon). Iemand had kardinaal Van Roey geïnformeerd over de kansen van Callewaert op het prioraat en die had een 'cassatie' door de provinciaal geëist. Nu kon de provinciaal geen steekhoudende reden maar bedenken om pater Callewaert te verhinderen naar Gent terug te keren.

Tijdens de oorlog heeft pater Callewaert veel minder gepreekt. Hij had des te meer tijd om te lezen en vooral te schrijven. In 1941 verscheen ...En Vlaanderen voor Christus, een bundeling van enkele brochures, radiopreken een van een selectie uit zijn preken. Het was het zoveelste boek. In de steekkaartenbak van de Leuvense kloosterbibliotheek vond in meer dan 20 verschillende titels. J.H. Walgrave schreef bij zijn overlijden: "Ik geloof niet dat een van zijn werken zal blijven leven." Hij heeft gelijk gekregen. Maar voor de dominicanen blijven ze niettemin een kostbaar relikwie.

Toen hij na de oorlog uit de gevangenis werd ontslagen en anderhalf jaar in Italië in 'ballingschap' had geleefd, heeft pater Callewaart in Gent in de grondig gewijzigde omstandigheden maar met dezelfde gedrevenheid als voorheen draad weer opgenomen. Tot eind de jaren '50 heeft hij geschitterd als gevierde predikant. Zijn jaarlijkse vastensermoenen (eigenlijk conferenties: zo'n drie kwartuur lang) waren een begrip. Walgrave geeft er een indrukwekkende beschrijving van.

"Gewoonlijk begon hij stil en langzaam. Hij zette klaar uiteen waarover hij spreken zou, ontvouwde zijn plan en volgde de heldere lijn van een goed geordend betoog. Elke lettergreep werd duidelijk gearticuleerd. Elk woord klonk krachtig door tot in de verste hoek. Van meet af aan kon men de beheerste bezieling aanvoelen die weldra doorbreken zou, in brede, sidderende golven van een pathetisch betoog, in vragen die naar het hart van het gehoor werden afgevuurd, in koninklijke, gebiedende affirmaties, opstijgend tot een climax, een kreet, die als een bliksem bij nacht afstak tegen de ademloze stilte van het publiek. Dan kon hij zijn stem laten dalen, zacht, verpozend, rustig, totdat een nieuwe golf van bezieling hem naar omhoog tilde... Het was uniek, onnavolgbaar."

Voor hem was een echte preek een religieuze kunstschepping en hij verzorgde zijn woord met de liefde en de eerbied die een echt kunstenaar zijn werk toedraagt. Het moest af zijn en gaaf, schitterend als een juweel. Met dezelfde zorg die hij aan vorm en voordracht besteedde, heeft hij ook steeds aan de inhoud gewerkt. Hij was geen oorspronkelijk denker en voelde niet veel voor subtiliteiten. Maar gezond verstand had hij, een klare kop en een scherpe opmerkingsgave... Wanneer hij improviseerde of zich liet gaan, was hij niet op zijn best. Al was hij van nature een redenaar, toch was zijn prediking de vrucht van lange oefening en zorgvuldige voorbereiding."

De flamingant

Pater Callewaert heeft altijd geprobeerd zich buiten de politiek te houden, maar ondanks hemzelf is hij erin verwikkeld en vestrikt geraakt. Hij was overtuigd Vlaamsgezind omdat hij een Vlaamse katholiek was, - niet andersom: een katholieke Vlaming. Als een van meest beluisterde religieuze leiders van de Vlaamse Beweging had hij natuurlijk politieke invloed. Dat wist hij zeer goed, en daarom lette hij erop zijn woorden te wikken en te wegen als hij in zijn preken en toespraken om religieuze reden de 'Vlaamse kwestie' ter sprake meende te moeten brengen.

Twee 'politieke' geschriften uit de oorlogsjaren verdienen een bijzondere aandacht, omdat ze belangrijke gevolgen hebben gehad.

Begin april 1943 liet Callewaert een brief bezorgen aan dr. Elias, leider van het VNV, waarin hij deze partij scherp op de korrel neemt. Het VNV, schreef hij, steunt op twee valse principes:

1. Duitsland moet de oorlog winnen.
2. De ideologie van de partij moet het nationaal-socialisme zijn.

Voor Callewaert is het evident: het is het Vlaamse volk dat moet winnen, en dat zal niet gebeuren als zich bindt aan Duitsland. Wel integendeel: als de Duitsers volledig winnen en de lakens uitdelen in Europa, betekent dat het einde van het Vlaamse volk. Het nationaal-socialisme "betekent voor Vlaanderen de verloochening van zijn katholiciteit en de verheidensing over de hele lijn, wat wij als katholieken nooit mogen en nooit kunnen aannemen, hoewel we gerechtigd zijn soms zeer antiklerikaal te zijn, juist om de essentie van het katholicisme te redden." Het is pater Callewaert dus te doen om het Vlaamse volk. Hij nuanceert: dat is niet de volksmassa. Daarover schrijft hij zeer harde woorden: "... de bevolkingsmassa die ik noem een hondenras met hier en daar een rashond tussen; bevolkingsmassa die gehoorzaamt aan twee driften: het succes en de buik." Deze krasse uitspraak is hem door zeer velen kwalijk genomen.
De conclusie van de brief luidt ondubbelzinnig: de leiding van het VNV moet rechtsomkeer maken en bereid zijn desnoods de gevangenis in te gaan, voor het welzijn van Vlaanderen.

Deze brief aan de VNV-leiding is natuurlijk publiek gekend geraakt en heeft voor heel wat opschudding gezorgd, zowel ik kerkelijke als in politieke kringen. De bisschop van Gent verklaarde aan een Gentse dominicaan: "Ik zou p. Callewaert zijn jurisdictie willen ontnemen, zoals in het bisdom Brugge. Maar ik wil geen martelaren maken."

Het tweede document heeft een meer vertrouwelijk karakter behouden. Namens het 'comité voor de rehabilitatie van koning Leopold III' werd aan pater Callewaert gevraagd zijn opinie neer te schrijven over zeven kwesties i.v.m. de huidige en toekomstige positie van de koning en het oordeel van de Vlamingen daarover. Hij heeft dit gedaan is een uitgebreide nota van een tiental gedrukte bladzijden. Ondanks alle beloften van geheimhouding is de tekst toch in verschillende verkeerde handen terecht gekomen en gebruikt tegen zijn auteur en tegen de koning.

Een zeer heikele kwestie was de deelname van Vlaamse jongens aan de Duitse oorlog tegen de Sovjetunie: de zogenaamde Oostfrontstrijders. Over de houding van pater Callewaert op dit punt blijven hardnekkige misverstanden bestaan. Kort en krachtig samengevat: alle studenten en oud-studenten die bij hem te rade kwamen, heeft hij dit afgeraden. Hier stond hij lijnrecht tegenover Cyriel Verschaeve. In een lange bladzijde van zijn oorlogsdagboek geeft hij zijn oordeel over Verschaeve en probeert hij te verklaren hoe deze zich zo zwaar heeft kunnen vergissen door alle gezag dat hij bezat in te zetten voor de zwaarste collaboratie met het nazisme. Hij moest toch ook weten dat de Vlaamse jongens in Rusland moesten vechten en sterven zonder priester en zonder sacramenten? Hoe kon hij dan propaganda maken voor de Oostfrontstrijders? In zijn stellingname tegen Verschaeve spreekt pater Callewaert nog eens zijn diepste overtuiging uit. Ook indien Vlaanderen na de oorlog, die de Duitsers zeker gaan verliezen, ten onder zou gaan, is dit "een minder kwaad dan dat het katholiek geloof vergaat".


Op 20 april 1945 werd pater Callewaert in het klooster van Gent gearresteerd en na een verblijf in een interneringskamp in de gevangenis opgesloten. In februari '46 begon zijn proces voor de krijgsraad. Uitspraak van de auditeur: 6 jaar hechtenis, maar afwijzing van de eis vanwege de Belgische staat om 6 miljoen fr. vergoeding te betalen. Daags nadien al gaat de veroordeelde in beroep en op 11 april verschijnt hij voor het krijgshof. Na één zitting volgt de uitspraak: 12 jaar hechtenis, geen vergoeding aan de Belgische staat. Men heeft beweerd dat hij zelf zijn kansen op een vrijspraak in beroep heeft verknoeid door per se zichzelf te willen verdedigen. Maar dat kan natuurlijk niemand bewijzen. Wat niet moet bewezen worden is dat hij de kans die de rechter hem bood heeft aangegrepen om een publiek getuigenis af te leggen en dat dit grote indruk heeft gemaakt. Een van de officieren van het hof zou gezegd hebben: "Il est capable de boulverser toute la Belgique."

Na iets meer twee dan jaar van straf te hebben uitgezeten bood men pater Callewaert invrijheidstelling aan, op voorwaarde dat hij naar het buitenland zou uitwijken. Dat kwam dus neer op een 'vrijwillige' ballingschap. Na enig aarzelen aanvaardde hij het voorstel, maar onderstreepte in zijn brief de woorden voorlopig en tijdelijk m.b.t. tot zijn verblijf in een land "waarheen mijn oversten me zullen sturen en zo lang zij het wensen". De minister van Justitie had Biaritz voorgesteld. Uiteindelijk werd het Neggio, in de buurt van de stad Lugano. Daar heeft hij in een klooster van uit Oostenrijk verdreven dominicanessen zo'n 6 maanden de dienst van aalmoezenier heeft waargenomen. Vóór hij definitief naar huis terugkeerde is ter gelegenheid van het kerkelijk Heilig Jaar naar Rome op bedevaart getrokken. Hij wou ook nog het werk van Oostpriesterhulp gaan bekijken, maar op de internationale reispas die hij verkreeg stond de beperking 'behalve voor Duitsland."

Met Pasen 1950 was pater Callewaert opnieuw in het Gentse klooster, sprankelend van vitaliteit en getuigend van een zelfde werklust als voorheen. Hij heef zich zonder veel problemen ingeschakeld in de activiteiten van zijn jongere confraters en hun eigen methode van werken, o.m. in de retraites voor de collegejeugd. Maar hij ontpopte zich ook opnieuw als de solist-predikant voor de grote gelegenheden. In 1956 is hij nog eens plechtig gevierd ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag en zijn gouden kloosterjubileum. Een pittig detail: voorzitter van de feestzitting was de bekende wielersportjournalist Karel Van Wynendaele, omdat hij een boezemvriend van pater Callewaert was maar vooral omdat hij iemand was "die buiten en boden de politiek stond" (J.A. Nuyens). In 1952 publiceerde hij zijn jongste boek: Levensgezondheid - Brieven aan jonge mensen. Veel origineels stond er niet in. De meeste brieven gaan terug op toespraken en op reeds gepubliceerde teksten in een aantal tijdschriften.

Begin de jaren zestig begon zijn gezondheid hem snel en grondig in de steek te laten. Na een ernstige beroerte moest hij gehospitaliseerd worden. Af en toe kon hij nog eens deelnemen aan een bijzondere religieuze plechtigheid, maar hij is niet meer levend uit het ziekenhuis gekomen.

Na zijn dood, in 1964, schreef de Gazet van Antwerpen: "Hij heeft zijn leven opgebouwd als een IJzertoren. Zijn blijvende verdienste werd in Het Volk geresumeerd in twee punten. Pater Callewaert is een van de groten van ons volk "door de vernieuwing van de predikatie die hij heeft ingeluid in onze gewesten, doctrineel georiënteerd; door de religieuze ontvoogding die hij nastreefde voor de Nederlandstalige katholieke leken van ons land. Dit gebeurde door zijn actie onder de katholieke studenten aan de Rijksuniversiteit Gent en door zijn bewust doorgevoerde scheiding van partijpolitiek en godsdienst. Op beide punten was pater Callewaert ver op zijn tijd vooruit."

Voornaamste bronnen

J.A. NUYENS, Pater L.J. Callewaert, Mortsel, 1969
J.H. WALGRAVE, Pater J. Callewaert ter nagedachtenis, in Kultuurleven, 1965, p. 12-20

B.J. De Clercq o.p.

 

Bestellen