Het scheldwoord 'honden van de Heer' is niet uit de lucht gegrepen.
Ook 'Veritas', de dominicaanse wapenspreuk, werd ermee in verband gebracht. Er zijn
dominicanen geweest die zich gedragen hebben met de pretentie van mensen die
de waarheid in bezit hadden en daarom het recht hadden andere mensen te
beoordelen en als het moest te veroordelen. Waarheid schreven ze met een
lidwoord ervoor en een hoofdletter: de katholieke waarheid die door het
kerkelijk leerambt in definitieve en onbetwistbare formules is vastgelegd en
door hun rechtgelovige theologie en de onvergankelijke leer van het thomisme
wordt toegelicht. Ze traden op als de waakhonden die de katholieke
leerstellige burcht moesten bewaken en tegen alle bedreigingen verdedigen,
die overal blaften waar een verkeerd woord werd gezegd of geschreven. Ze
dachten de jachthonden te moeten zijn die ijverig speuren naar alle
afwijkingen van de rechtgelovigheid. Vandaar het niet onterechte verwijt:
jullie waren kampioenen van de inquisitie, ongenadige ketterjagers.
De rol die dominicanen in de inquisitie gespeeld hebben
behoort niet tot de fraaiste hoofdstukken van hun geschiedenis. Ook niet van
de geschiedenis der Vlaamse dominicanen. Sommigen zijn in dienst van de
inquisitie van keizer Karel ijverige ketterjagers geweest in de verdediging
van de katholieke rechtgelovigheid tegen de lutherse en calvinistische
hervormers in onze streken. Die
bladzijden kunnen uit het geschiedenisboek van ook de Vlaamse dominicanen
niet weggescheurd worden. Maar men doet hen onrecht als men dit boek altijd
alleen maar op deze bladzijden openlegt.
Zijn leven dienstbaar maken aan de waarheid is niets
anders dan streven om te leven in het spoor van Jezus Christus. Ieder
christen gelovig mens moet dit natuurlijk doen, maar er zijn mensen die er
zich speciaal op toeleggen en er bij manier van spreken hun beroep van
maken. Niet omwille van zichzelf, maar ten bate van hun medemensen. De
dienst van de waarheid is een dienst aan de mensen, omdat de waarheid een
essentiële behoefte is van een authentiek menselijk leven.
'Specialisten van de waarheid' heeft men van de
dominicanen gezegd. Dat is opnieuw een dubbelzinnige en gevaarlijke
benaming. Hoe gevaarlijk, kunnen we, zoals gezegd, aflezen uit de
geschiedenis. We komen uit een tijd waarin de christelijke waarheid de vorm
had van een 'catechismuswaarheid': nauwkeurige, in definitieve formules
vastgelegde antwoorden op alle levensvragen die geen echte vragen waren, ze
moesten alleen maar dienen om het antwoord te geven dat op voorhand al
volledig afgerond gereed lag. Specialisatie in dienst van de waarheid werd
op die manier versmald tot bewaking van het kerkelijk waarheidsbezit.
Specialist was hij of zij die deze waarheid had bestudeerd en ze nauwkeurig
wist uiteen te zetten, om zodoende het 'valse' in al zijn nuances ervan te
onderscheiden.
Maar 'studium veritatis' in de echte zin van het
woord is iets anders en ook veel moeilijker. Het is zich toeleggen op het
zoeken van een nog steeds te vinden en steeds opnieuw te formuleren
waarheid. Hier toont zich de aanleiding van de spanning tussen de pretentie
die men dominicanen vaak aanwrijft en de bescheidenheid die hen moet
kenmerken: de pretentie die meent te weten wat anderen moeten denken en
gelovig belijden, de bescheidenheid van het geduldig zoeken en luisteren en
het voorzichtig, eerbiedig onder woorden brengen.
Dezelfde spanning zit ook in de 'kritiek van de
onwaarachtigheid' waarvan dominicanen beweren dat ze in het bijzonder tot hun opdracht behoort. Die kritiek richt
zich op de vele manieren waarop waarheid miskend wordt en geweld wordt
gedaan, door politieke en andere propaganda, door verdraaiing en
verduistering van informatie, door de versplintering van waarheid in de vele
wetenschappen die zich van elkaar hebben afgesloten en elkaars
overgespecialiseerde taal niet meer begrijpen en in de opleiding van jonge
mensen tot smalle vakkundigen zonder gevormde levensvisie. Pretentieus
echter wordt
zulke kritiek waar ze trapt in de val van het waarheidsfanatisme dat
personen krenkt, dat overal de onderste steen boven wil halen en mensen
voortdurend met de neus op hun zwakheid en hun tekorten duwt. Kritiek moet
je niet leveren voor het plezier van de contestatie of de ontmaskering, maar
om mensen dienst te bewijzen. Want waarheidsverkrachting tast voortdurend
ons vermogen tot waarheid aan en zonder waarheid kan men niet menselijk
leven.
Kritiek is een eerste stap die noodzakelijk is om mensen
opnieuw vrij te maken voor hun authentieke behoefte aan waarheid, en
tegelijk voor het appèl van een waarheid die vraagt om erkend en beleefd te
worden. De waarheid dienen betekent een dienst aan de diepste behoefte van
de mensen, hun nood aan verlossing. Want het is de waarheid die ons
bevrijdt.
Bescheiden is de verkondiging van de waarheid als ze
erkent dat wie er zich op toelegt door het feit zelf aan zelfkritiek doet.
Je moet in alle bescheidenheid durven zeggen: luister naar mijn woorden,
maar vergeef me dat mijn eigen daden er niet altijd mee stroken. Maar dat
kan natuurlijk geen excuus zijn. Je kunt de dienst van de waarheid alleen
volhouden als het getuigenis van je leven je woorden onderschrijft. Alleen
zo kun je het bewijs brengen dat de waarheid inderdaad bevrijdt. Dan kun je
ook bij de anderen uit ondervinding getuigen dat hun nood aan verlossing een
behoefte aan waarheid is.
Misschien is dit wel de meest dringende en ook de
moeilijkste opdracht van wie 'specialist van de waarheid' wil genoemd
worden: de mensen bewust maken van hun behoefte aan waarheid. Als je daarin
slaagt, kan je met hen meegaan en hen wellicht een stuk voorgaan op een weg
waarvan men mag hopen dat hij de ontdekking wordt van de wijze waarop de
waarheid van het evangelie zich in 'hun' waarheid omzet.
Het beeld van de hond met de brandende fakkel versta ik in de lijn van Erik Borgman*.
De hond raakt mensen aan bij wie alle vuur is
uitgeblust. Hij activeert weer het smeulende vuur dat bedolven is geraakt
onder de ontmoediging van mensen die door tegenkanting en mislukkingen zijn
teleurgesteld. De brandende fakkel is ook een licht. Dominicanen, zegt
Borgman, vinden het vuur waarvan ze zelf leven in de wereld waarin ze leven.
Ze ontsteken hun licht op de plaatsen waar het vuur van de goddelijke Geest
brandt, ze tonen en verhevigen dat vuur waar het oplicht in ware woorden en
zichtbaar wordt in daden die het waarachtige leven bevorderen. In medemensen
het vuur brandend houden en aanwakkeren, het vuur van de geestdrift, van de
goddelijke hartstocht die de heilige Geest in ons is: kun je hen een
kostbaardere dienst bewijzen?
*