|
Dominicaans leven 2004/4 |
||
|
Allemaal
ergens blind
Als ik van reportage zou durven spreken, zou ik zeggen dat we in het verhaal
over de genezing van Bartimeüs (Marcus 10,46-52 en Lucas 18,35-43) een
uitstekend model vinden. Met een volmaakte soberheid van middelen wordt het
essentiële verteld. Vers na vers speelt de film zich zonder enig versiersel.
Zelfs als je de afloop al kent, volg je ademloos. Ik heb die tekst zo
dikwijls geciteerd dat ik de ideeën die hij me suggereert op een rijtje wil
zetten. Ik zie in dat verhaal de weg van hen die God zoeken, of als ze hem
gevonden hebben, hem blijven zoeken.
Bartimeüs erkent dat hij blind is. Men kan zeggen dat hij die erkenning geen
enkele verdienste kan halen. Juist, maar ik heb blinden ontmoet die hun
handicap niet toegaven en de helderziende speelden. Dat geneerde me des te
meer omdat mijn moeder edelmoedig haar blindheid aanvaardde, zij het af en
toe met een klacht die me tot het einde van mijn dagen pijn zal blijven
doen. Nu zijn wij geestelijk en moreel gesproken allemaal ergens blind. Wie
beweert dat hij altijd gelijk heeft, ondanks de schellen die zijn blik
verduisteren, doet de waarheid geweld aan en speelt komedie.
Het is duidelijk: Veel mensen waren verstoord door de reactie van Bartimeüs
toen ze hem hoorden roepen: 'Jezus, zoon van David, heb medelijden met mij!'
'Hou je mond!' snauwden ze hem toe. Zo kreeg ook de melaatse het bevel te
horen van degenen die voor hem uit liepen 'Zwijgen!' Als iemand luid te
kennen geeft dat hij zijn hoop stelt, voor hemzelf en voor anderen, in hem
die het Boek der Openbaringen de Levende noemt, maakt zijn omgeving het niet
altijd gemakkelijk. Schik je in je lot, zegt men hem. En als het gaat om
predikatie of apostolaatswerk, krijgt hij de raad wat minder fanatieke ijver
aan de dag te leggen. Mijn raadgeving: laten ze er niet naar luisteren, de
broeders en zusters die door de Geest worden gedreven, laten ze blijven
roepen zonder zich te bekommeren om diegenen die hun de mond willen snoeren.
Het bewijs daarvan is dat Bartimeüs zo duidelijk het rijk van God voelt
komen dat hij zich niet in de menigte gooit om te tonen dat hij nu is zoals
ieder ander. De bekoring was nochtans groot: verrukt naar de gezichten der
mensen kijken, naar de dingen, de bomen, de hele natuur. Je laten verblinden
door wat je nu met je ogen ontdekt. Maar neen. Bartimeüs doet wat velen na
hem zullen doen wier hart of lichaam of inzicht wonderlijk genezen is. Hij
gaat Jezus volgen.
Bartimeüs, mijn broer, zoals jij ga ik bij de uitgang van Jericho staan. En zoals
jij probeer ik het christelijk avontuur te beleven waarvan jij
het blijven symbool bent.
A.-M. Carré o.p. |
||
|
||