VIERINGen in het DOMINICUSHUIS

 
   

 

 

Liefde in tweevoud
(27 oktober- 30ste zondag)

Welkom.
In de eerste lezing wordt uitvoerig over de liefde van God geschreven, maar het gebod van de naastenliefde wordt zo goed als doodgezwegen.
Jezus sprak anders, en hándelde naar zijn spreken. Hij gaf én aan de liefde tot God én aan de liefde tot de medemens een gelijkwaardige plaats.
Moge deze eucharistieviering een hulp worden om de band tussen godsliefde en mensenliefde weer levendig te maken.

Vergevingsmoment

Wij mogen bidden tot God, die van ons houdt
en die vraagt van Hem te houden in een grenzeloze solidariteit
en een onvoorwaardelijke liefde voor al onze medemensen.

Toon Gods gelaat: word vriend met de armen, word vriend van die niemand hebben.

Toon Gods gelaat: wees bereikbaar voor grote en kleine mensen.

Toon Gods gelaat: kom op voor de misdeelden, spreek moedig waar het gaat om hun belang.

Openingsgebed

God, uw hart is van oudsher daar
waar mensen in verdrukking leven
en een problematisch bestaan leiden.
Doe ons delen in uw bekommernis
om velen die hongeren naar brood en vrede,
naar vrijheid en vriendschap,
naar erkenning en geborgenheid.
Gij die liefde zijt,
leef in ons hart,
in onze woorden en in onze handen

Homilie

Mensen vergeten wel eens hun verleden, hun eigen komaf. Mensen vergeten wel eens wie ze ooit waren en waar ze vandaan komen. Maar mensen die hun afkomst vergeten, zijn vaak onuitstaanbaar, hard en liefdeloos. Het stijgt hen naar het hoofd; ze meten zich een air aan dat je denkt: waar halen ze het vandaan?
Zo vergaat het soms mensen die gestudeerd hebben. Ze hebben een goed diploma op zak en zijn zich tot de intellectuelen gaan rekenen, maar ze kunnen niet meer spreken met hun eenvoudige familieleden of vertikken het nog veel met hen om te gaan, want ze voelen zich nu wat meer thuis in hogere kringen; ze achten zich nu toch wat meer, wat deftiger; ze hebben zich boven hun oorspronkelijke stand uitgewerkt en dat laten ze wel blijken en voelen.
We kennen ook wel de generatie van nieuwe rijken. Ze hebben zich een levensstandaard aangemeten van comfort en luxe dat je denkt: waar hebben ze het vandaan, en dat met zo’n air. Die weten zeker niet meer dat ze alles te danken hebben aan hun ouders, die eenvoudige en hardwerkende mensen. Ongetwijfeld zijn ze vergeten dat ze vroeger zelfs geen geld hadden voor tram of bus om naar school te gaan; thuis was er slechts één ei per twee personen.

Als we postkaarten uit de oude doos bekijken en zien hoe het er 50-60 jaar geleden allemaal aan toe ging in onze steden en dorpen, dan moeten we toch toegeven dat we er goed op vooruit zijn gegaan.
Dat is allemaal prima. Wanneer mensen het ver brengen, zich een betere levensstandaard weten op te bouwen, valt dat alleen maar toe te juichen. Maar dat geeft hen niet het recht hoogmoedig, verwaand, liefdeloos te worden tegenover mensen die door omstandigheden niet hetzelfde peil hebben kunnen bereiken.

Heel lang geleden heeft Mozes in dit verband reeds wijze woorden gesproken. Ze staan in de eerste lezing van dit liturgisch weekeinde. Na een ellendige tijd in Egypte, een zwerftocht van veertig jaar vol ontberingen, tegenvallers, twijfels, ruzies, honger en dorst, bereikt het joodse volk eindelijk het door God beloofde land. Daar vinden ze rust, vrede en geluk. Maar juist dan waarschuwt Mozes zijn mensen: Jullie mogen vreemdelingen niet slecht behandelen en hun leven niet zuur maken. Je hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Je weet dus wat het is. Doe geen onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen. Je hebt lang genoeg zelf niet te eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit. Vergeet dus nooit wat je hebt meegemaakt en vanwaar je gekomen bent. En zo gaat Mozes verder in die eerste lezing.
Als je in betere doen raakt, mag je nooit je komaf vergeten; je mag nooit je afkomst verloochenen. Zo sprak Mozes al in zijn tijd tot zijn mensen; en, - zo zegt hij erbij - we mogen ook niet vergeten dat wat we bereikt hebben niet helemaal aan onszelf, maar voor een groot deel aan veel andere mensen en ook een stukje aan God te danken is. Daarom, wees gastvrij voor vreemdelingen, deel uw rijkdom met armen en behoeftigen, kom op voor de verdrukten, en steek een helpende hand toe aan hen die nu doormaken wat jij ook hebt doorgemaakt.

Helemaal in dezelfde lijn spreekt ook het evangelie van vandaag. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: wat is het voornaamste gebod in de wet? M.a.w. wat is de grondslag van de wet, het centrum van de Schrift, uit welk woord je al het andere kan afleiden? En Jezus antwoordt met een zinsnede uit Deuteronomium: ‘U zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’, die hij dan verbindt met een tekst uit Leviticus: ‘U zult uw naaste beminnen als uzelf’. Het zijn deze twee zaken waarrond het draait in wet en profeten en alle andere voorschriften hangen van deze twee af. Het gaat om twee parallelle lijnen, maar nooit los van elkaar. Voor Jezus kan de liefde tot God niet zonder de liefde tot de naaste. Als je tekortschiet in het een, schiet je ook tekort in het ander. Als we met heel ons hart van God willen houden, zullen we ook met heel ons hart van onze naaste moeten houden.
En wie is volgens Jezus onze naaste? Heel zijn leven heeft Jezus dat begrip alsmaar groter gemaakt. Onze naaste is volgens hem niet alleen onze volksgenoot, niet alleen onze geloofsgenoot, onze vriend of vriendin; onze naaste is de zondaar, de overspelige, de melaatse, de tollenaar, de mens aan wie we een hekel hebben, die we niet kunnen uitstaan, die ons iets ergs heeft aangedaan, zoals de moordenaar op het kruis. Heel Jezus' leven was daarvan één groot getuigenis. En als wij in zijn voetstappen willen treden, zullen we onze liefde voor God zichtbaar moeten maken in een grenzeloze solidariteit met en een onvoorwaardelijke liefde voor alle medemensen, met een bijzondere plaats voor armen en eenzamen.

Dat is niet altijd zo gemakkelijk. Soms is het verdomd moeilijk om mensen graag te blijven zien en aan God de plaats te geven in ons leven. Als alles meezit, vraagt dit geen inspanning, het wordt pas moeilijk wanneer medemensen ons kwetsen of ontgoochelen, of wanneer we ons door God in de steek gelaten voelen. Het is nochtans de enige weg waarlangs we ons christen-zijn kunnen waarmaken. We zijn maar in die mate christen waarin we proberen lief te hebben; proberen van God te houden en van onze medemensen.

Jan Arnouts o.p.

top terug