|
|
|
VIERINGen in het DOMINICUSHUIS |
|||
|
|
Liefde in tweevoud
Welkom. Vergevingsmoment
Toon Gods gelaat: word vriend met de armen, word vriend van die niemand hebben. Toon Gods gelaat: wees bereikbaar voor grote en kleine mensen. Toon Gods gelaat: kom op voor de misdeelden, spreek moedig waar het gaat om hun belang. Openingsgebed God, uw hart is van oudsher daar Homilie Mensen vergeten
wel eens hun verleden, hun eigen komaf. Mensen vergeten wel eens wie ze ooit
waren en waar ze vandaan komen. Maar mensen die hun afkomst vergeten, zijn
vaak onuitstaanbaar, hard en liefdeloos. Het stijgt hen naar het hoofd; ze
meten zich een air aan dat je denkt: waar halen ze het vandaan? Als we postkaarten uit de oude doos bekijken en zien hoe
het er 50-60 jaar geleden allemaal aan toe ging in onze steden en dorpen, dan
moeten we toch toegeven dat we er goed op vooruit zijn gegaan. Heel lang geleden heeft Mozes in dit verband reeds wijze
woorden gesproken. Ze staan in de eerste lezing van dit liturgisch weekeinde.
Na een ellendige tijd in Egypte, een zwerftocht van veertig jaar vol
ontberingen, tegenvallers, twijfels, ruzies, honger en dorst, bereikt het
joodse volk eindelijk het door God beloofde land. Daar vinden ze rust, vrede
en geluk. Maar juist dan waarschuwt Mozes zijn mensen: Jullie mogen
vreemdelingen niet slecht behandelen en hun leven niet zuur maken. Je hebt
zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Je weet dus wat het is. Doe geen
onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen. Je hebt lang genoeg zelf niet te
eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit. Vergeet dus nooit wat je
hebt meegemaakt en vanwaar je gekomen bent. En zo gaat Mozes verder in die
eerste lezing. Helemaal in dezelfde lijn spreekt ook het evangelie van
vandaag. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: wat is het voornaamste gebod in de
wet? M.a.w. wat is de grondslag van de wet, het centrum van de Schrift, uit
welk woord je al het andere kan afleiden? En Jezus antwoordt met een zinsnede
uit Deuteronomium: ‘U zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel
uw ziel en geheel uw verstand’, die hij dan verbindt met een tekst uit
Leviticus: ‘U zult uw naaste beminnen als uzelf’. Het zijn deze twee zaken
waarrond het draait in wet en profeten en alle andere voorschriften hangen van
deze twee af. Het gaat om twee parallelle lijnen, maar nooit los van elkaar.
Voor Jezus kan de liefde tot God niet zonder de liefde tot de naaste. Als je
tekortschiet in het een, schiet je ook tekort in het ander. Als we met heel
ons hart van God willen houden, zullen we ook met heel ons hart van onze
naaste moeten houden. Dat is niet altijd zo gemakkelijk. Soms is het verdomd moeilijk om mensen graag te blijven zien en aan God de plaats te geven in ons leven. Als alles meezit, vraagt dit geen inspanning, het wordt pas moeilijk wanneer medemensen ons kwetsen of ontgoochelen, of wanneer we ons door God in de steek gelaten voelen. Het is nochtans de enige weg waarlangs we ons christen-zijn kunnen waarmaken. We zijn maar in die mate christen waarin we proberen lief te hebben; proberen van God te houden en van onze medemensen. Jan Arnouts o.p. |
||