|
|
|
VIERINGen in het DOMINICUSHUIS |
|||
|
|
De farizeeër in elk van
ons
Homilie De evangelielezing van vandaag bestaat uit twee delen, die heel goed bij elkaar aansluiten.
Nu is het natuurlijk heel verleidelijk om daar bij stil te blijven staan, er nog een schepje bij te doen, ze nog wat meer in hun hemd te zetten. We hebben het toch zo graag over anderen; ondertussen is de aandacht van onszelf afgeleid. Het gaat bij Jezus om veel meer dan enkel de levenswijze van de farizeeën aan de kaak te stellen. Jezus richt zich in het tweede deel tot zijn leerlingen, zijn volgelingen, en als zodanig houdt de evangelielezing een oproep in voor alle toehoorders om zelf een ander mens te worden. De overgang wordt gevormd door het woordje ‘maar’; je weet het: de kleine woordjes in het evangelie zijn heel belangrijk. Dus, wat in feite wordt aangeklaagd bij de farizeeën leeft in zekere mate nog altijd in onze tijd en in ieder van ons. Trouwens, waarom zou de evangelist Matteüs, veertig/vijftig jaar later, deze discussie van Jezus met de farizeeën oprakelen? Omdat het in die eerste christelijke gemeenschappen nog net hetzelfde was. En waarom anders wordt deze passage nog steeds voorgelezen? Omdat het nog steeds hetzelfde liedje is.Ook vandaag is er nog altijd ruzie om de beste plaats, het beste postje; ook nu nog is er een hele hiërarchie van rangen en standen, zelfs geaccentueerd in een verschillende klederdracht en titulatuur. Wij lopen allemaal graag in de kijker. Dit merken we het best aan onze reacties wanneer men ons eens vergeten heeft, wanneer men bij toeval eens geen rekening met ons heeft gehouden, ons niet erkend heeft. Dan is onze reactie : ze zien ons niet staan, we tellen toch niet mee, ze houden geen rekening met ons, ze springen over ons hoofd,… Inconsequent zijn we ook allemaal:
Dus, wat leeft bij de farizeeën, leeft nog in onze tijd en voor een groot deel in elk van ons. In dat tweede deel van het evangelie voel je heel duidelijk
de bekommernis van Jezus voor een broederlijke gemeenschap, waar niemand zich
hooghartig in het centrum plaatst, maar eerlijk en eenvoudig dienstbaar is.
‘Jullie zijn toch allen broeders.’ En in een gemeenschap van broeders is de ene niet meer dan de andere. Als je dan toch in iets de meerdere wilt zijn, de voornaamste, dan is het in onderlinge dienstbaarheid : ‘wie de grootste wilt zijn, moet de dienaar zijn.' We hebben deze dagen van Allerheiligen-Allerzielen weer ervaren hoe broos het leven is, hoe vergankelijk… Laten we die korte tijd die we hier op aarde, met elkaar, mogen doorbrengen toch niet moeilijker maken dan het al is. Laten we elkaar niet in de hoek duwen, door ellebogenwringerij of op de rug van een ander niet proberen vooruit te komen. Laten we echt broers en zusters zijn van elkaar. Jan Arnouts |
||