Binnen onze katholieke
godsdienst zijn er mensen die zich geroepen voelen te waken over de
juiste beleving van die godsdienst. Meestal gaat het dan wel niet om de
inhoud maar om de vormgeving. Hun aandacht gaat naar het nauwkeurig
naleven (tot in de puntjes) van allerlei voorschriften, bepalingen en
wetten waar men niet van mag afwijken, de trouw aan bepaalde gewoontes
en gebruiken die in de loop van de geschiedenis zijn ingevoerd. Men is
zelfs bereid heel wat fundamentele houdingen van liefde, oprechtheid en
verzoening aan zijn hielen te lappen om het nauwkeurig onderhouden van
die voorschriften af te dwingen.
Sommigen komen er rondweg voor uit dat ze de zaak wat in ’t oog moeten
houden en moeten toezien of priesters en ook leken wel katholiek genoeg
zijn, of ze niet te veel dingen doen die officieel niet zijn
goedgekeurd. Ze stellen zichzelf aan tot rechters over anderen. Men
begint met verdachtmaking, roddel, beschuldiging, veroordeling en
banbliksems. Men dreigt ermee naar de bisschop te schrijven en men doet
het ook, en bij de bisschop dreigt men naar de paus te schrijven als hij
niet optreedt.
Daaruit bestaat heel het geloofsleven en de godsdienstige praktijd van
sommige katholieken: controle, aanklagen, beschuldigen, verketteren.
Voor al het goede dat ze doen : geen oog.
Als we het evangelie
van Marcus erop naslaan, het evangelie waaruit heel dit jaar wordt
voorgelezen, dan zien we dat een dergelijke praktijk altijd heeft bestaan.
In de lezing van vandaag heeft Jezus het aan de stok met de farizeeërs.
Dat is reeds de derde maal en we lezen nog maar uit het tweede
hoofdstuk.
De eerste keer was het omdat Jezus een lamme zijn zonde had vergeven,
wat volgens de farizeeërs voorbehouden is aan God (het was het verhaal
van vorige zondag); de tweede keer werd hem verweten dat hij aan tafel
zat met tollenaars en zondaars; vandaag protesteren ze ertegen dat zijn
leerlingen niet genoeg vasten; onmiddellijk hierop volgt dan het dispuut
over het aren plukken op sabbat - dat mag ook niet - en over de genezing
op de sabbat, wat ook verboden is. En zo gaat dat verder.
Men krijgt de
indruk dat het in Jezus’ tijd nog erger was dan nu. En men vraagt zich
af : wie is nu de grootste rebel: voorgangers die een meer eigentijdse
geloofsbelijdenis of groot dankgebed nemen, een profaan liedje spelen
(wat is profaan, wat is religieus ?), die van een eucharistie een echte
viering willen maken… of Jezus die zich niet houdt aan sabbatwetten en
reinheidswetten, zonden vergeeft en God zijn eigen Vader noemt.
We willen nu wat dieper
ingaan op de lezing van vandaag.
Jezus krijgt de verwijtende vraag waarom zijn leerlingen niet vasten,
terwijl de leerlingen van Johannes en die van de farizeeërs wel vasten ?
De grootste betrachting
van de farizeeërs was de joodse wet, als het ware blindelings, tot in
de puntjes na te leven. Ze waren bang van God, bang om bij God niet meer
in de gunst te staan. Daarom waren ze bang voor verandering, voor
vernieuwing. Ze wilden liever enkele dagen extra vasten en vroeger dan
voorgeschreven de sabbat beginnen; om toch maar goed te scoren in de
ogen van de Heer. In feite hielden ze zich enkel bezig met het uiterlijke
van hun godsdienst, maar niet met de kern. Daarom noemde Jezus hen ook
witgekalkte graven, huichelaars.
Voor Marcus en zijn
christelijke gemeenschap betekent de komst van Jezus het begin van een
totaal nieuw tijdperk. Voor hen is het overduidelijk dat in Jezus God
mensen reddend nabij is gekomen. Je ziet het trouwens overal gebeuren:
mensen genezen, boze geesten worden uitgedreven, zonden vergeven…. Dat
is goed nieuws. Waar dergelijke dingen gebeuren ,kan het leven best
aangenaam en vreugdevol zijn, zelfs uitgroeien tot een feest. Zij zijn
ervan overtuigd dat met Jezus de Messiaanse heilstijd is aangebroken,
aangeduid als de bruidstijd, waarin God wordt voorgesteld als de
bruidegom die zijn ontrouwe bruid, Israël, komt opzoeken die Hem
verlaten had. We hoorden het in de eerste lezing : ‘Ik neem u als mijn
bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in
goedheid en erbarming, als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw.’ (Hosea)
De komst van Jezus is
te vergelijken met een bruiloftsfeest, en bij een huwelijk hoort
vreugde. Zolang de bruidegom aanwezig is, denkt men niet aan vasten, kan
men toch niet vasten. Trouwens, gedurende dergelijke feestelijkheden
werden de gasten ontslagen van bepaalde religieuze verplichtingen, o.a.
die van het vasten. Maar, er zullen dagen komen dat de bruidegom weg is;
op die dagen zullen ze vasten, zegt Jezus. Dat de leerlingen van Johannes de doper geen hap door hun keel konden krijgen is goed te
begrijpen. Hun meester zat ergens in de gevangenis, werd wellicht
gefolterd, moest honger lijden,… Als men daaraan denkt, smaakt het
eigen eten niet.
Vasten doet men dus
niet om regels en wetten te onderhouden, maar om leegte en gemis uit te
drukken. Vasten is uitdrukking van een diepere honger. De mens leeft
immers niet van brood alleen. Die diepere honger kan enkel gestild
worden door iemand die onvoorwaardelijk bemint. ‘Die iemand ben ik zelf’
zegt Jezus. Elders zal hij zich het levende brood noemen die alle honger
stilt en het levende water dat de diepste dorst van een mens lest.
Met de komst van Jezus
is dus een nieuwe tijd aangebroken : totaal andere kijk op God, totaal
nieuwe boodschap van leven en samenleven, totaal andere manier van
omgaan met wetten en voorschriften. Voor Marcus en de zijnen werd dit
alles ervaren als een duidelijke tijdsbreuk tussen wat voorafging en wat
er zich ten tijde van Jezus afspeelde, als een radicale scheiding tussen
verleden en heden. Het heeft geen zin deze twee periodes met elkaar te
vergelijken of te verzoenen. Het gaat om iets totaal nieuws; het gaat om
nieuwe wijn en het heeft geen zin die nieuwe wijn in oude zakken te
doen; die jonge wijn moet in nieuwe zakken. Al de rest is lapwerk. Ze
zetten nieuwe lappen op een oud kleed, ze willen nieuwe wijn in oude
zakken. Zo’n opgelapt kleed scheurt, zo’n oude wijnzak barst. Als men
geen nieuw kleed wilt aantrekken, geen totaal nieuwe levenshouding wilt
aannemen, blijft het bij lapwerk; en dat haalt niets uit, zegt Jezus. En
zo komt het dat hij voortdurend overhoop ligt met de farizeeërs.
Maar met mensen die God
zien als bruidegom, die vreugde vinden in zijn nabijheid , die zijn
visie delen op mens en samenleving, en die wetten en voorschriften
volgen naar hun diepste betekenis, daarmee komt Jezus niet conflict.
J. Arnouts o.p.