| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 10 juli - vijftiende zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja
50,10-11
|
|||
|
Doet God nog wel iets in de wereld? Deze vraag stelde
mij onlangs een vrouw toen haar dochter na een zware ziekte overleden was.
Ik had die vraag in het voorbije jaar ook al enkele keren gehoord. De
moeder had altijd maar gehoopt dat haar dochter er nog zou wel ‘doorkomen’.
Een paar keer had de vrouw er wel bij gezegd dat ik daarop wel niet zou
kunnen antwoorden want ‘ja, wat doe je tegen die zware ziekte’.
Haar vraag blijft toch hangen, want het is een vraag
die ik al meer dan eens heb gehoord. Ik geef toe dat ik ze eigenlijk niet kan beantwoorden. Ze is heel moeilijk, om verschillende
redenen. Vooreerst omdat wij God nooit kunnen doorgronden en echt kennen.
Het is ook heel moeilijk te vragen dat God zo maar tegen de natuur van de
dingen zou ingaan. Vooral is ze moeilijk omdat ze uit het diepst
van het hart komt en dus zeer persoonlijk is.
Doet God dan niets in de wereld? Toch wel, maar op een
heel bescheiden manier. Dat laat Jezus verstaan met dit evangelieverhaal.
Jezus wil met deze parabel zeggen dat God iets verwacht voor en van deze
wereld. Die wereld moet een ‘Rijk der hemelen’ zijn of een ‘Rijk
Gods’ zoals de andere evangelisten zeggen. Het gaat dan niet om politiek
of politieke machten. Het is een zaak van mensen, die iets ondernemen. Het
is een zaak van mensen, die zich laten aanspreken door het woord en die
dit willen laten rijpen in hun leven. Dat rijk moet niet gaan lijken op
een staat of een land. Het is een rijk als een levenskracht gaat inwerken
op alles wat mensen zullen ondernemen. Het middel hiervoor is het woord
van het koninkrijk, zoals Jezus dit noemt. Dit woord wordt verspreid
als een zaad en het tekent dat mensen dit willen opnemen in hun hart en
het niet laat roven of ten onder gaan.
Dit woord moet altijd weer gezaaid worden en er moeten
mensen zijn die dit willen opnemen in hun leven. God wil actief zijn in
deze wereld, zonder grote gebeurtenissen. Het is een heel bescheiden
manier, maar tegelijk een heel bijzondere manier want Hij vertrouwt het
toe aan mensen en rekent op mensen. Het is een teken van groot vertrouwen
en tegelijk een hele uitdaging voor de mensen. Zij kunnen daarmee heel wat
doen.
Mensen kunnen er nogal verschillend op reageren. Jezus
geeft zelf enkele voorbeelden. Mensen kunnen heel enthousiast zijn, maar
dat kan ook weer vlug uitgeblust zijn. Dat zaad moet ook groeien midden de
concrete andere dingen van het leven, zoals het bezit of de rijkdom, of
vele verschillende manieren waarmee mense naar het leven te kijken. Jezus
beseft dat mensen nogal complexe wezens zijn en dat in het leven van
mensen veel elementen spelen.
Het kan in ieder mens wel eens stormen en iedereen kan
in zijn of haar eigen leven ook de ups-and-downs kennen, goede en kwade
momenten. Het hart en het gemoed van het leven kennen dorre perioden met
distels of onoverkomelijke zorgen. Met zijn parabel wil Jezus de vraag
stellen: welk soort grond wil en probeer jij te zijn voor mijn woord?
Probeer je een open hart te hebben voor de levensweg die het evangelie
is, met als centrale punt die liefde voor de anderen en de openheid voor
God? Help jij zo de wereld een goede wereld te zijn en zo toch iets te
realiseren van dit Rijk der hemelen?
Heel belangrijk is daarom te weten dat God altijd weer
zaait en dat Hij altijd mensen wil aanspreken. Hij twijfelt er niet aan
dat dit woord vrucht zal dragen, en niet vruchteloos naar Hem terugkeert.
Het doet dit maar "wanneer het Gods wil heeft volbracht en zijn
zending heeft vervuld". Het woord van God zoekt zijn weg en wil
actief zijn als "de regen en de sneeuw die uit de hemel vallen en
er pas terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar vruchtbaar
hebben gemaakt en met groen hebben bedek, wanneer zij het zaad aan de
zaaier hebben gegeven en het brood aan wie moet eten". Dat woord
vertrouwt God aan ons toe om zo veel te doen.
Aan de vrouw die me de vraag stelde heb ik niets
gezegd dat maar enig antwoord zou kunnen zijn. Ze was met de vraag aan
het worstelen of het nog mogelijk was zich voor God open te stellen, zoals
ze het zovele jaren in haar leven had gedaan en waarin ze steun had
gevonden. Zij kon me iets laten horen over haar vechten met God. Wel zei
ze: "nu zal ik maar alles doen wat ik kan voor mijn schoonzoon en
voor de kleinkinderen". Het woord van liefde bleef in haar zeker heel
levendig.Bij het afscheid zei ze dat ze wist dat ik op haar gevoel in
feite niets kon zeggen, maar ze dankte en zei: "kom nog maar eens
terug".
Zou het woord van God ook niet werken doorheen mensen
die voor anderen zorgen en die met elkaar kunnen spreken en naar elkaar
luistreren?
Mark De Caluwe o.p.
|
| |