Dominicanen Leuven Zondagspreken
  10 juli  - vijftiende zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Jesaja 50,10-11
Matteüs 13,1-23

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Gods Woord in vruchtbare grond


Doet God nog wel iets in de wereld? Deze vraag stelde mij onlangs een vrouw toen haar dochter na een zware ziekte overleden was. Ik had die vraag in het voorbije jaar ook al enkele keren gehoord. De moeder had altijd maar gehoopt dat haar dochter er nog zou wel ‘doorkomen’. Een paar keer had de vrouw er wel bij gezegd dat ik daarop wel niet zou kunnen antwoorden want ‘ja, wat doe je tegen die zware ziekte’.

Haar vraag blijft toch hangen, want het is een vraag die ik al meer dan eens heb gehoord. Ik geef toe dat ik ze  eigenlijk niet kan beantwoorden. Ze is heel moeilijk, om verschillende redenen. Vooreerst omdat wij God nooit kunnen doorgronden en echt kennen. Het is ook heel moeilijk te vragen dat God zo maar tegen de natuur van de dingen zou ingaan. Vooral is ze moeilijk omdat ze uit het diepst van het hart komt en dus zeer persoonlijk is.

Doet God dan niets in de wereld? Toch wel, maar op een heel bescheiden manier. Dat laat Jezus verstaan met dit evangelieverhaal. Jezus wil met deze parabel zeggen dat God iets verwacht voor en van deze wereld. Die wereld moet een ‘Rijk der hemelen’ zijn of een ‘Rijk Gods’ zoals de andere evangelisten zeggen. Het gaat dan niet om politiek of politieke machten. Het is een zaak van mensen, die iets ondernemen. Het is een zaak van mensen, die zich laten aanspreken door het woord en die dit willen laten rijpen in hun leven. Dat rijk moet niet gaan lijken op een staat of een land. Het is een rijk als een levenskracht gaat inwerken op alles wat mensen zullen ondernemen. Het middel hiervoor is het woord van het koninkrijk, zoals Jezus dit noemt. Dit woord wordt verspreid als een zaad en het tekent dat mensen dit willen opnemen in hun hart en het niet laat roven of ten onder gaan.

Dit woord moet altijd weer gezaaid worden en er moeten mensen zijn die dit willen opnemen in hun leven. God wil actief zijn in deze wereld, zonder grote gebeurtenissen. Het is een heel bescheiden manier, maar tegelijk een heel bijzondere manier want Hij vertrouwt het toe aan mensen en rekent op mensen. Het is een teken van groot vertrouwen en tegelijk een hele uitdaging voor de mensen. Zij kunnen daarmee heel wat doen.

Mensen kunnen er nogal verschillend op reageren. Jezus geeft zelf enkele voorbeelden. Mensen kunnen heel enthousiast zijn, maar dat kan ook weer vlug uitgeblust zijn. Dat zaad moet ook groeien midden de concrete andere dingen van het leven, zoals het bezit of de rijkdom, of vele verschillende manieren waarmee mense naar het leven te kijken. Jezus beseft dat mensen nogal complexe wezens zijn en dat in het leven van mensen veel elementen spelen.

Het kan in ieder mens wel eens stormen en iedereen kan in zijn of haar eigen leven ook de ups-and-downs kennen, goede en kwade momenten. Het hart en het gemoed van het leven kennen dorre perioden met distels of onoverkomelijke zorgen. Met zijn parabel wil Jezus de vraag stellen: welk soort grond wil en probeer jij te zijn voor mijn woord? Probeer je een open hart te hebben voor de levensweg die het evangelie is, met als centrale punt die liefde voor de anderen en de openheid voor God? Help jij zo de wereld een goede wereld te zijn en zo toch iets te realiseren van dit Rijk der hemelen?

Heel belangrijk is daarom te weten dat God altijd weer zaait en dat Hij altijd mensen wil aanspreken. Hij twijfelt er niet aan dat dit woord vrucht zal dragen, en niet vruchteloos naar Hem terugkeert. Het doet dit maar "wanneer het Gods wil heeft volbracht en zijn zending heeft vervuld". Het woord van God zoekt zijn weg en wil actief zijn als "de regen en de sneeuw die uit de hemel vallen en er pas terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar vruchtbaar hebben gemaakt en met groen hebben bedek, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan wie moet eten". Dat woord vertrouwt God aan ons toe om zo veel te doen.

Aan de vrouw die me de vraag stelde heb ik niets gezegd dat maar enig antwoord zou kunnen zijn. Ze was met de vraag aan het worstelen of het nog mogelijk was zich voor God open te stellen, zoals ze het zovele jaren in haar leven had gedaan en waarin ze steun had gevonden. Zij kon me iets laten horen over haar vechten met God. Wel zei ze: "nu zal ik maar alles doen wat ik kan voor mijn schoonzoon en voor de kleinkinderen". Het woord van liefde bleef in haar zeker heel levendig.Bij het afscheid zei ze dat ze wist dat ik op haar gevoel in feite niets kon zeggen, maar ze dankte en zei: "kom nog maar eens terug".

Zou het woord van God ook niet werken doorheen mensen die voor anderen zorgen en die met elkaar kunnen spreken en naar elkaar luistreren?

Mark De Caluwe o.p.

 
   Terug