| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 24 juli - zeventiende zondag |
|
|
Lezingen:
Koningen 3,5-12
|
||
|
Als gelovigen leven we vooral van parabels, verhalen
die ons suggereren hoe wij moeten leven, om echte kinderen van God en
burgers van het koninkrijk van God te zijn. Ons geloof wordt niet vooral
gedragen door wetten en voorschriften, maar door suggesties om nieuwheid
in ons leven te brengen. Zojuist hoorden we een van de vele parabels uit
het dertiende hoofdstuk van Matteüs. Een parabel die in twee versies in
dit dertiende hoofdstuk aanwezig is.
In dit dertiende hoofdstuk wordt ons o.a. gezegd dat we
ons moeten laten overrompelen door het koninkrijk van God, zoals door een
onverwacht gevonden schat in een akker, of door een heel kostbare parel.
We moeten plaats maken voor het nieuwe. Verder moeten we ons ontvankelijk
opstellen tegenover dit gevonden koninkrijk, zodat we deels honderdvoudig,
deels zestigvoudig, deels dertigvoudig vrucht kunnen voortbrengen voor
onszelf en voor anderen. Geloven is een leven in vruchtbaarheid uitbouwen.
Dit koninkrijk kan ook van buitenaf aangetast worden door negatieve
krachten: het onkruid tussen de tarwe, dat de krachten van het goede
aanvreet. Als we het onkruid eenmaal opmerken, welke houding moeten we er
dan tegenover aannemen? Het zo snel mogelijk uitrukken, of het laten
groeien samen met het graan, totdat we beter kunnen zien wat onkruid en
wat graan is. Jezus stelt alles wat in dit koninkrijk gebeurt voor als
iets waarvan we aanvankelijk niet goed kunnen onderscheiden of het onkruid
of tarwe, goed of slecht, zal blijken te zijn. Hij maant ons dan ook aan,
geduldig te zijn en ons terdege af te vragen, wat goed en wat kwaad is.
Aangezien we moeten openstaan voor nieuwe perspectieven, kunnen we goed en
kwaad in die perspectieven niet zo gemakkelijk onderscheiden.
Op deze problematiek komt Jezus een tweede keer in dit
parabelhoofdstuk terug. Dat is de tekst die we zojuist hoorden. Hier
vergelijkt Jezus het koninkrijk Gods met een sleepnet, waarin allerlei
vissen werden gevangen. Als ze aan land komen, gaan de vissers van het
verhaal zo vlug mogelijk bij het net zitten om de goede vis in kuipen te
doen en de slechte vis weg te gooien. In eerste instantie gebruikt Jezus
dat beeld voor wat volgens de Joodse traditie op het einde der tijden zal
gebeuren. De engelen zullen erop uittrekken, en de kwaadwilligen van de
rechtvaardigen scheiden, en de kwaadwilligen in de vuuroven werpen. De
leerlingen menen dat ze het hebben begrepen: de kwaden moeten zo vlug
mogelijk van de goeden worden gescheiden. Maar dan stelt Jezus hen op de
proef, en vraagt hun uitdrukkelijk: hebben jullie dit alles begrepen? Ja,
antwoorden ze. Maar dan corrigeert Jezus hen scherp. ‘Zo lijkt iedere
Schriftgeleerde, die leerling in het koninkrijk van de hemel geworden is,
op een huisvader die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te
voorschijn haalt’.
Ook hier mogen we niet te vlug oordelen. We mogen ons
niet alleen laten leiden door de vlugge categorieën van oud en nieuw. In
het oude kan nieuwe, nog niet ontdekte kracht verscholen zitten, en in het
nieuwe kan helemaal geen kracht schuilen, maar het nieuwe is soms de enige
kracht om niet verstarren. De grote vraag lijkt dan: waarin bestaat
levenskracht? Levenskracht laat de mens opleven, open bloeien. Wat zet een
domper op het leven en wat niet? Het is waar, dat is een zaak van
aanvoelen. Je moet het aanvoelen - durven aanvoelen - dat door wat je doet
iemand open bloeit. Je kan niet vooraf helder bepalen waarin een
bevrijdende handeling tegenover iemand moet bestaan. Je moet door het
bevrijd zijn van de ander worden aangedaan. De bevrijding van de ander is
een geschenk dat je zelf krijgt, en waarvoor je dankbaar moet zijn.
Krijg je dat geschenk, dan ervaar je echte nieuwheid in
het leven van elke dag. Dan weten we in deemoed, dat we burgers zijn van
het nieuwe rijk van God.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |