| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 27 juli - Zeventiende zondag |
|
|
Lezingen:
1 Koningen 3,5.7-12
|
|||
|
De schat en de parel De eerste lezing doet ons de vraag van koning Salomo
beluisteren: een vraag om wijsheid omdat hij nog zo jong was en onervaren,
té onervaren om het volk van de Heer te leiden. Zijn vraag moet
voorgekomen zijn uit een ongemakkelijk gevoelen. In de zinnen die
onmiddellijk vooraf gaan aan Salomo’s vraag lezen we hoe hij
‘duizenden brandoffers opdroeg op de offerhoogten aan andere goden dan aan
de Heer Jahwe’. Ik beeld me in dat hij geplaagd werd door onzekerheid wat
hij nu eigenlijk moest doen om een goede koning voor het volk te zijn. En
juist op dat ogenblik verschijnt de Heer ‘s nachts in een droom aan
Salomo. Je moet een weldenkend mens zijn om boven alle schatten en rijkdom
het aan te durven de zo nodige gemoedsrust te vragen. Want dàt was het wat
Salomo eigenlijk vroeg: inzicht om te weten wat hij eigenlijk doen moest
voor ‘dit grote volk van U’. Zo vraagt hij dat en je hebt de indruk dat de
vraag evengoed in het ‘politieke vandaag’ met evenveel aandrang mag
gesteld worden. Het is voor een mens verleidelijk om te midden van
welstand te grijpen naar nog méér en nog beter en nog mooier.
Reclamecampagnes toveren ons het mooiste voor en je hebt de indruk dat je met
het kopen eigenlijk meer verdiént dan je in deze recessietijd uitgeeft.
Salomo krijgt dus de wijsheid en de gemoedsrust. Zou dat niet de schat en
de parel zijn waarover in de evangelielezing gesproken wordt?
Wonder dat in de lezing niet duidelijk omschreven wordt
wat het ‘Rijk der hemelen’ dan wel is. Je hebt het zelf in te vullen, maar
uit de vergelijking is duidelijk dat de opvulling van de woorden te maken
heeft met het veil hebben van het allerbeste en allerliefste van wat een
mens bezit. Klaarblijkelijk gaat het over twee soorten mensen: een eerste
die een eenvoudige handwerker op het land is en die bij toeval iets
ontdekt dat zijn hart van vreugde omkeert. Volgens de Joodse wet van toen
was de bezitter van het land ook de eigenaar van wat er in de grond te
vinden was. Hij verkoopt dus wat hij heeft om de akker te verwerven. De
tweede is een begoed koopman die de mooie parel niet bij toeval vindt in
grondwerk. Je zou kunnen zeggen dat hij bij zijn slentertochten langsheen
veilingen op een onbekende Rembrandt stoot. Parels waren in die tijd nog
waardevoller dan diamant. Hij verkoopt de rest van zijn bezit en koopt de
parel van een Rembrandt.
Vraag is maar wat die schat en die parel eigenlijk
betekenen en of we als eenvoudige vinder of welgestelde zoeker
onmiddellijk de waarde van dit alles doorzien. Zouden we niet de wijsheid
van Salomo moeten hebben om de waarde van de dingen juist te
doorzien? Schatten dragen immers dikwijls de schrammen en het stof van de
tijd. We kennen het spreekwoord: ‘Het is niet al goud dat blinkt’.
Zou het niet kunnen dat we in een wat verfomfaaide mens
trekken ontdekken die ons stil doen worden? Trekken van hartelijkheid,
haken naar gerechtigheid en de lieve Heer, van ongekunsteldheid, van
onvermoede warmte van hart? Trekken die we maar ontdekken als we het
verder kijken dan het wat getaande en gerimpelde voorhoofd van de mens in
kwestie die zich geen dure verjongingskuur wou veroorloven!
Zou het niet kunnen dat in de ogenschijnlijk wat
verwaarloosde straathoekwerker die eventueel de naam van God wat vergeten
is, iets terug te vinden is van wat Jezus voor de mensen van zijn tijd
betekende? Zou het niet kunnen dat verguisde politici in hun diepste ik,
rechtvaardigheid op een hoger stoeltje zetten dan wel het eigen gewin.
Maar daarvoor moet je méér lezen dan wat de kranten of TV je voorschotelen
en je dringend vragen het door te slikken.
Ontdekken van een schat vraagt dus dat we anders leren
zien naar wat het uiterlijke toont: onze heer Jezus en zijn evangelie
leren ons de schatten zien daar waar mensen meer leven krijgen en meer
geluk in de vouwen van hun leven kunnen bergen. Een mooie Rijk Gods-parel
heeft niet altijd de schittering van volmaaktheid en dikwijls is
oneffenheid op de parel voor ons de dringende uitnodiging om, zoals het
evangelie het zegt, ‘alles te verkopen’ en ons in te zetten. Wat bij zo’n
vondst overblijft is niet een soort religieuze bedwelming. Wel schenkt die
vondst ons de gemoedsrust zoals ze die aan Salomo schonk. Gemoedsrust
omdat we ons inzetten om iets aan die verbrokkelde wereld te doen. Een
Paus Benedictus zal dan reizen maken naar de Australische aboriginals en
de Wereldjongerendagen. Ik beeld me in dat dit een ‘must’ is voor hem:
ontmoeten en tijdens toespraken de vinger leggen op alle wonden van de
tijd.
Wij zullen de gevonden schatten op een àndere manier
oppoetsen: bv. door het lijzige zagen van rusteloze zinzoekers geduldig
te aanhoren en voorkomen dat ze ten onder gaan. Of door verdriet van anderen
mee te dragen. Of door het zich inzetten in politieke bewegingen. Of door
mee te stappen in een mars tegen onrecht zoals de emeritusbisschop van
Antwerpen, mgr. Van den Berghe, dat deed.
We merken het: het vinden van de schat en de parel
maakt van onszelf andere mensen, niet alleen omdat we alles zouden
verkopen, maar omdat we willen geboeid zijn door die Jezus, die parel en
schat van het Joodse volk! Met een paradox kunnen we zeggen: het vinden
van de parel en de schat schudt heftig aan ons geweten. Kan niet anders.
Bidden we maar om de wijsheid van Salomo die ons de
echte parels en schatten doet ontdekken.
A. Vaganée o.p.
|
| |