| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 3 augustus - Achttiende zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja 55.1-3
|
|||
|
Breken en delen
Geen enkel verhaal wordt in de evangelies zo dikwijls verteld als dat
van het broodwonder. Zes keren, door Matteüs en Marcus twee keren. In de
jonge kerk is er blijkbaar veel belang aan gehecht. Het moet talloze keren
gelezen en beluisterd zijn, overal waar christenen bijeenkwamen om hun
eucharistische maaltijd te houden. Vandaag doen we dit hier ook. We doen
het om hem te blijven gedenken die brood heeft genomen en gebroken om het
uit te delen, samen met wijn die werd rondgedeeld, als symbool van het
offer van zijn lichaam en zijn leven.
Het lag voor de hand de mensen die naar Jezus waren
gekomen bij het vallen van de avond naar huis te sturen. Waarschijnlijk
hadden ze de hele dag niet gegeten. Onderweg naar huis konden ze wel wat
te eten kopen. Maar Jezus wilde dat ze bij hem bleven en vroeg zijn
leerlingen dat zij hun te eten zouden geven. En dan gebeurde het. Een
volledig avondmaal - "iedereen at en werd verzadigd" - voor vijfduizend
mannen, plus vrouwen en kinderen, en twaalf manden gevuld met de stukken
brood die nog over waren. Dat alles met vijf broden en enkele visjes die
werden rondgedeeld. Je zou verwachten dat de hele menigte in enthousiast
gejuich zou uitgebarsten zijn. Mirakel! Mirakel! Maar niets daarvan.
Matteüs beschrijft het wonderbare avondmaal zonder een zweem van pathos
als was het de gewoonste zaak van de wereld.
Hij moet er wel vol van geweest zijn, want later
vertelt hij het nog een keer (15,32-38). Nu laat hij het gebeuren aan de
overkant van de grens, in vreemd gebied, en noemt andere aantallen:
vierduizend man, zeven broden en wat vis, zeven manden met overgebleven
stukken brood. Hij wil iets nieuws vertellen. De getallen hebben een
symbolische lading. Zeven (in het eerste verhaal 5 broden plus 2 vissen)
is een symbool van volheid en overvloed. Vier (4.00 man) verwijst naar de
vier uiteinden der aarde. Dit wil zeggen: het evangelie is niet alleen
voor de Joodse volksgenoten bestemd, voor de 12 stammen van Israël, maar
evenzeer voor de 7 'heidense' naties waardoor ze omringd waren. Wij zouden
nu zeggen: voor alle volkeren en culturen. En allen kunnen ze hun honger
stillen met het brood dat door Jezus werd gezegend en door zijn leerlingen
uitgedeeld.
Het broodverhaal is door de eeuwen heen voortverteld.
Nog altijd wordt het, zoals op deze zondag, in liturgische vieringen
gelezen en beluisterd. Het belicht de woorden die we uitspreken om hem te
blijven gedenken die op de laatste avond, als "bewijs van zijn liefde tot
het uiterste toe", brood heeft gebroken en gezegend en uitgedeeld en zijn
leerlingen uit de beker met wijn heeft laten drinken. Over vissen wordt
niet gesproken, maar we weten dat de vis het oudste symbool is van de
verrezen Christus. Hetzelfde als de wijn van het laatste avondmaal: het
vergoten bloed van Jezus, teken van zijn leven dat hij gegeven heeft om te
redden uit zonde en kwaad. "Geven jullie hun maar te eten", zie Jezus tegen zijn
leerlingen. En dat deden ze. Met bijna niets, maar duizenden mensen konden
eten tot ze geen honger meer hadden en er was nog veel overschot om aan
veel anderen uit te delen. Bijna niets is ook het eucharistisch brood dat
we met elkaar delen. Niet om onze fysieke honger te stillen. Geen mens
leeft van brood alleen. Er zijn veel andere dingen die we broodnodig
hebben om ervan te leven. We hebben honger naar vriendschap, naar
erkenning en waardering, naar vertrouwen en vergiffenis van medemensen.
Zonder liefde heeft niemand echt leven.
We realiseren het teken van het eucharistisch sacrament
nog niet echt door, zoals het heet, de honger in de wereld met onze
overvloed te helpen bestrijden. Nodig daarvoor is dat we veel andere en
kostbaarder dingen geven en krijgen. Waar dan het sacrament van het
lichaam van Christus dat gelovigen met elkaar delen metterdaad wordt
gerealiseerd, kunnen we zien hoe het bewijs wordt geleverd: de wonderen
zijn de wereld niet uit!
B.J. De Clercq o.p.
|
| |