| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 9 januari - Doop van Jezus |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Het is een grote troost, schreef een missionaris in
1924, als je door het doopsel van een stervende een arme zwarte ziel kan
winnen voor de goede God. Zieltjes winnen voor de goede God was toen de
normale geloofsovertuiging. We staan hier voor het feit dat men in wat eens
vanzelfsprekend was niet meer kan geloven. Men haakt dan af of men gaat
op zoek naar een diepere zin van een gebeuren, zoals het doopsel. Men
probeert de zin van een gebeuren te verwoorden op een meer verstaanbare
wijze voor mensen van onze tijd.
Ik vermoed dat de meesten onder ons nog gedoopt zijn
zo vlug mogelijk na de geboorte, opdat de poort naar de hemel zou
openstaan mocht het toch verkeerd aflopen met onze schattige
kindjes. De vraag kon dan ook niet uitblijven waarom Jezus die
zonder zonde geboren en gebleven is zich toch heeft laten dopen. Jezus
moest eigenlijk niet gedoopt worden. Hij was immers zonder erfsmet noch
gebrek. Gods gerechtigheid was altijd al een belangrijk thema
geweest in het joodse geloof van de voorgaande eeuwen. De profeet Jesaja
had er verwachtingsvolle woorden over gesproken: de dienstknecht, die de
geest ontvangen heeft, zou het radicaal anders doen dan de machthebbers
van zijn tijd.
Volgens Jesaja roept en schreeuwt de dienstknecht van
Jahwe niet. Hij zal daarentegen recht brengen, niet door macht naar
zich toe te trekken, maar door het op te nemen voor zwakken. Zo staan we aan de oever van de Jordaan
oog in oog met een tijd- en wereldomspannende gebeurtenis. De doop van
Jezus als het begin van zijn missie. Deze ‘man van God’ heeft een
zending op aarde die vanuit de hemel wordt bekrachtigd. "Dit
is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb." Hemel en aarde komen samen in de doop van Jezus. Voor ons, christenen,
moet Jezus een voorbeeld zijn. Door onze doop bevestigen wij dat we geloven dat ook wij
'kind van God' zijn en willen
zijn. Ook wij willen leven naar de geest die Jezus bezielde en kracht
gaf om goed te doen, ja, om te doen als God. Onze doop houdt in dat we beseffen dat we geboren
zijn in een wereld die onaf is en waar er naast goede dingen ook slechte
zaken gebeuren die door mensen veroorzaakt worden. Ja, we leven in een
wereld vol mogelijkheden, maar tevens in een wereld die geteisterd wordt
door zinloosheid en lijden. Hiertegenover willen we, zoals Jezus,
wandelen in het licht van God, het licht van liefde en mededogen. Door
onze doop willen we de roeping aanvaarden om gerechtigheid tot stand te
brengen. Een opdracht, een zending die haar kracht ontvangt door de
woorden die God ook tot ons spreekt: "Jij bent mijn zoon, jij bent
mijn dochter, van wie ik zielsveel houd."
Deze woorden moeten ons de kracht geven om het
geknakte riet niet te breken, om niet af te breken wat iemand moeizaam
heeft opgebouwd. Deze woorden moeten ons bezielen om aandacht te blijven
hebben voor de geringste mensen, voor hen die door anderen zijn
afgeschreven, want daartoe is Jezus ook tot ons gekomen.
E. Costermans o.p.
|
| |