| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 17 augustus - Twintigste zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
God van alle volkeren en godsdiensten In de lezingen van vandaag komen twee fundamentele
problemen in verband met het geloof aan bod, die uiteindelijk met elkaar
te maken hebben: de openheid van het geloof voor alle volkeren en voor
alle mensen, en de bereidheid om religieuze opvattingen te laten varen, om
het heil van alle mensen mogelijk te maken.
In de eerste lezing laat de profeet Jesaja God
verklaren dat zijn heil in aantocht is, dat zijn gerechtigheid zich zal
openbaren. We zouden verwachten dat dit heil en deze gerechtigheid aan het
huis van Israël worden aangezegd. Dat is ook wel zo. Maar toch legt God
alle nadruk op de vreemdelingen. Ook hun geeft Hij vreugde in zijn huis
van gebed. Want zijn huis, zijn tempel zal worden genoemd een huis van
gebed voor alle volken. Volgens deze tekst van Jesaja is het God
zeker niet te doen om het gebed van zijn uitverkoren volk in de enge zin
van het woord, om het gebed van de joden alleen. God verlangt dat ook de
vreemdelingen Hem zouden aanbidden in zijn huis van gebed. God heeft
eigenlijk geen uitverkoren volk. Zo’n volk zou de juiste toegang tot God
hebben, alleen al omdat het het uitverkoren volk is. Voor ons zou dat
betekenen dat we toegang tot God zouden hebben, alleen al omdat we
katholiek zijn. In het evangelie horen we het verhaal van Jezus en de
Kananese vrouw. Jezus was een Jahweh-getrouw man. Hij ijverde voor
Jahweh. Aan de Kananeese vrouw antwoordt Hij in eerste instantie: ‘ik ben
alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden’. En: ‘het is niet
goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven’.
Jezus zag het heil dat hij moest brengen aanvankelijk als beperkt
tot het joodse volk. Maar geconfronteerd met de vasthoudendheid van de
Kananese vrouw en met haar geloof in God, laat hij de barričre van het
Joodse volk vallen. Hij zegt tot haar: ‘Vrouw, je hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd.'
In deze omslag in zijn houding geeft Jezus te kennen
dat hij de religieuze traditie waarin Hij stond onder kritiek plaatst en
uitdrukkelijk en persoonlijk de visie op Jahwe van de profeet Jesaja uit
de eerste lezing bijtreedt. Jahwe is niet de God van het Joodse volk
alleen. Jahwe is de God van alle volken. Hij woont in een huis van gebed
voor alle volken. De nood van de mensen kan niet beperkt worden tot de
nood van de mensen van het huis van Israël. Hierin ligt opgesloten dat
Jezus zich bewust wordt dat niet de leer van zijn traditie richtinggevend
is voor zijn handelen, maar de reële betekenis van het concrete lijden van
de mensen in nood. God spreekt niet zozeer in een leer, maar in het lijden
van concrete mensen.
Het evangelie van vandaag laat op die manier ook een
glimp zien van het feit dat Jezus een echte mens is. Hij maakt
immers een ontwikkeling door, en dat is typisch voor mensen. Op een
bepaald moment durft hij de grenzen die zijn godsdienstgemeenschap -
zeggen we maar ‘zijn kerk’- stelt, te doorbreken. Hij gaat steeds
duidelijker beseffen dat het zijn God niet in de eerste plaats gaat om
wetten, maar om de noden en problemen van alle mensen, waar ze ook
thuishoren. Hij durft te luisteren naar wat de mensen beroert. Deze durf
verkreeg hij vanuit zijn diepe persoonlijke omgang , niet met zijn
traditie maar met de bij hem aanwezige God van zijn traditie. Die
God is immers een God van liefde en mededogen. En liefde en mededogen
mogen ervaren, geeft grote kracht. Daardoor durfde hij afstand te nemen
tegenover de wetten en gebruiken van zijn traditie.
Om open te komen voor de God van alle mensen, van alle
gelovige mensen, moeten ook wij, zoals Jezus, afstand durven nemen tegenover
al te menselijke opvattingen en wetten van de kerk van Jezus. Maar we moeten
ons dan wel ook, zoals Jezus, innerlijk laten op sleeptouw nemen door de
concrete menslievendheid van onze God, die ons mee wil sleuren in zijn
goedheid.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |