Dominicanen Leuven Zondagspreken
  17 augustus  - Twintigste zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:


Jesaja 56,6-7
Matteüs 15,21-28

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

God van alle volkeren en godsdiensten


In de lezingen van vandaag komen twee fundamentele problemen in verband met het geloof aan bod, die uiteindelijk met elkaar te maken hebben: de openheid van het geloof voor alle volkeren en voor alle mensen, en de bereidheid om religieuze opvattingen te laten varen, om het heil van alle mensen mogelijk te maken.

In de eerste lezing laat de profeet Jesaja God verklaren dat zijn heil in aantocht is, dat zijn gerechtigheid zich zal openbaren. We zouden verwachten dat dit heil en deze gerechtigheid aan het huis van Israël worden aangezegd. Dat is ook wel zo. Maar toch legt God alle nadruk op de vreemdelingen. Ook hun geeft Hij vreugde in zijn huis van gebed. Want zijn huis, zijn tempel zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volken. Volgens deze tekst van Jesaja is het God zeker niet te doen om het gebed van zijn uitverkoren volk in de enge zin van het woord, om het gebed van de joden alleen. God verlangt dat ook de vreemdelingen Hem zouden aanbidden in zijn huis van gebed. God heeft eigenlijk geen uitverkoren volk. Zo’n volk zou de juiste toegang tot God hebben, alleen al omdat het het uitverkoren volk is. Voor ons zou dat betekenen dat we toegang tot God zouden hebben, alleen al omdat we katholiek zijn.
Maar ook voor het uitverkoren volk komt het er op aan te luisteren naar de juiste betekenis van het verbond van God met zijn volk. Betekenis die elk moment nieuw kan zijn, omdat God zich telkens opnieuw richt naar de concrete situatie van de mensen met wie Hij begaan is. Van de andere kant kunnen ook de vreemdelingen, die goed en open luisteren, de openbaring van Gods heil en gerechtigheid verstaan. Ook zij kunnen goede gelovigen zijn. Het gaat niet om het behoren tot het zogezegde ‘volk van God’, maar om het open hart voor God. Reeds Johannes de Doper wierp de joodse mensen van Jezus’ tijd voor de voeten: ‘denk niet dat je bij jezelf kan zeggen: wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken (Matteüs 3,9).

In het evangelie horen we het verhaal van Jezus en de Kananese vrouw. Jezus was een Jahweh-getrouw man. Hij ijverde voor Jahweh. Aan de Kananeese vrouw antwoordt Hij in eerste instantie: ‘ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden’. En: ‘het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven’. Jezus zag het heil dat hij moest brengen aanvankelijk als beperkt tot het joodse volk. Maar geconfronteerd met de vasthoudendheid van de Kananese vrouw en met haar geloof in God, laat hij de barričre van het Joodse volk vallen. Hij zegt tot haar: ‘Vrouw, je hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.'

In deze omslag in zijn houding geeft Jezus te kennen dat hij de religieuze traditie waarin Hij stond onder kritiek plaatst en uitdrukkelijk en persoonlijk de visie op Jahwe van de profeet Jesaja uit de eerste lezing bijtreedt. Jahwe is niet de God van het Joodse volk alleen. Jahwe is de God van alle volken. Hij woont in een huis van gebed voor alle volken. De nood van de mensen kan niet beperkt worden tot de nood van de mensen van het huis van Israël. Hierin ligt opgesloten dat Jezus zich bewust wordt dat niet de leer van zijn traditie richtinggevend is voor zijn handelen, maar de reële betekenis van het concrete lijden van de mensen in nood. God spreekt niet zozeer in een leer, maar in het lijden van concrete mensen.

Het evangelie van vandaag laat op die manier ook een glimp zien van het feit dat Jezus een echte mens is. Hij maakt immers een ontwikkeling door, en dat is typisch voor mensen. Op een bepaald moment durft hij de grenzen die zijn godsdienstgemeenschap - zeggen we maar ‘zijn kerk’- stelt, te doorbreken. Hij gaat steeds duidelijker beseffen dat het zijn God niet in de eerste plaats gaat om wetten, maar om de noden en problemen van alle mensen, waar ze ook thuishoren. Hij durft te luisteren naar wat de mensen beroert. Deze durf verkreeg hij vanuit zijn diepe persoonlijke omgang , niet met zijn traditie maar met de bij hem aanwezige God van zijn traditie. Die God is immers een God van liefde en mededogen. En liefde en mededogen mogen ervaren, geeft grote kracht. Daardoor durfde hij afstand te nemen tegenover de wetten en gebruiken van zijn traditie.

Om open te komen voor de God van alle mensen, van alle gelovige mensen, moeten ook wij, zoals Jezus, afstand durven nemen tegenover al te menselijke opvattingen en wetten van de kerk van Jezus. Maar we moeten ons dan wel ook, zoals Jezus, innerlijk laten op sleeptouw nemen door de concrete menslievendheid van onze God, die ons mee wil sleuren in zijn goedheid.

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug