| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 24 augustus - Eenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Wie zeg jij dat ik ben? De evangelielezing van vandaag is een heel bekende
tekst, maar zo bekend als hij is, is hij ook zeer omstreden wat de uitleg
ervan betreft – zowel de uitleg over Jezus als over Petrus.
Laten we beginnen met Petrus.
Volgens de katholieke kerk moet de opdracht of de
sleutelmacht aan Petrus gegeven gezien worden als een opdracht aan hem en aan al
zijn directe opvolgers. De orthodoxe kerk ziet in elke bisschop de
opvolger van Petrus en de protestantse traditie is van oordeel dat deze
functie alleen aan Petrus werd gegeven. Zoals u merkt, het is duidelijk
een tekst die uitdaagt en reacties oproept (H. Servotte).
De tekst wordt enerzijds gelezen als een iets te
nadrukkelijke bevestiging van het feitelijk ambt van de paus van vandaag
en anderzijds door overijverige reformatorische christenen geminimaliseerd
tot een vriendelijke uitspraak van Jezus aan het adres van Petrus, en alleen
maar aan hem op dat moment (Hein Jan van Ogtrop). De kerk heeft in de loop van haar geschiedenis
Jezus’ sleutelmacht op heel verschillende wijzen – en niet altijd op een
gelukkige wijze – gehanteerd. Zij heeft ontelbare mensen opgenomen in haar
gemeenschap, maar zij heeft ook heel wat mensen geëxcommuniceerd, met
andere woorden buitengesloten. Door schade en schande geleerd is zij moeten
terugkomen op haar harde woorden en heeft ze de inzichten van geleerden en
wetenschappers achteraf moeten aanvaarden (Frans Peerlinck).
Onlangs heeft paus Benedictus nog erkend dat hij, met
ouder te worden, milder en barmhartiger is geworden in sommige pastorale
benaderingen.
In de loop van de geschiedenis zien we meermaals zwakke
schakels in de beleidsketen van de kerk, maar dankzij Gods steun is zij nooit
ten volle onder gegaan.
Ook Paulus wijst er Petrus reeds op in zijn
Galatenbrief dat zijn beslissing om niet aan tafel te zitten met
onbesnedene meer ingegeven was door angst en gebrek aan inzicht dan wel
door geloof in Jezus Christus. En hier is het ons vandaag uiteindelijk om
te doen.
Jezus stelde zijn leerlingen twee vragen: In wat de mensen zeggen kunnen we kort zijn. Jezus was
iemand die men kan vergelijken met een groot profeet. Jezus sprak over het
koninkrijk Gods zoals Johannes de Doper, hij was een dienaar Gods zoals Elia en
hij schuwde het lijden niet, zoals de profeet Jeremia. Vandaag
zeggen de mensen: Jezus is een goed mens geweest die bekommerd was om zijn
volk, zoals Martin Luther King, en zoals Gandhi …. Hij is een voorbeeld
voor ons zoals er veel andere voorbeelden zijn. En het maakt dan ook
niet zoveel uit of je nu christen ben, boeddhist of moslim.
Maar Jezus tilde niet zwaar aan de antwoorden van wat de
mensen zeggen. Hij wilde weten wat jij zegt. En dan beseffen we pas dat
hetgeen we willen zeggen eigenlijk niet kan gezegd worden. Uitleggen waarom men van iemand houdt is onbegonnen
werk omdat het unieke van elke mens niet in algemeenheden te vatten is. De
mooiste dingen kun je niet uitleggen, die moet je voelen met je hart, en we
hebben slechts een totaalbeeld van iemand door hem of haar lief te hebben.
Zo is het ook met Jezus. We kunnen van Jezus zeggen
dat niets menselijks hem vreemd was. Hij was echt en totaal mens. Hij at
en dronk graag. Hij gging totaal vrij en zonder angst of vooroordeel om
met machtigen en machtelozen, met mannen én vrouwen, met rijken en armen.
Hij sprak scherpe en zachte woorden. Hij voelde mee met de massa en
tevens vluchtte hij iedereen om met God, zijn Vader, alleen te zijn. In hem
is het bijbelwoord over de schepping voor het eerst totaal vervuld: Jezus is de mens
als Gods beeld. Jezus is de mensenzoon waarin God zijn welbehagen heeft en
die Petrus, gedreven door Gods Geest, doet zeggen: "Gij zijt de zoon van
de levende God", "Gij zijt de Messias, de Gezalfde." Door dit inzicht is Petrus de
rots geworden waarop de
christengemeente gebouwd is en waardoor God niet ophoudt zich een volk te
verzamelen in Jezus' naam.
IK zei het al: men kan slechts een totaalbeeld
van iemand hebben door hem of haar lief te hebben. Zo is het ook met
Jezus. Niet zonder reden heeft Jezus tot driemaal toe gevraagd aan Petrus:
bemin je mij? Het antwoord van Petrus – na veel vallen en opstaan -
kennen we. Met tranen in de ogen bekende hij: "Ja Heer, u weet dat ik
u
bemin."
Misschien is het u ontgaan dat Jezus Petrus noemde: Simon, zoon van Jona. Jona is het beeld van de zwakke man die wegvluchtte
voor zijn taak om Gods wil aan de Ninevieten te verkondigen. Jona liep weg
en hij maakte een wereldreis over de zeeën om uiteindelijk God weer tegen
te komen.
Bidden we, nadat we misschien vele wereldgodsdiensten hebben
bestudeerd - of ook zonder studie - dat we God mogen tegen komen in Jezus
Christus en rust vinden bij hem.
E. Costermans o.p. |
| |