Dominicanen Leuven Zondagspreken
  24 augustus  - Eenentwintigste zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:


Jesaja 22,19-23
Matteüs 16,13-20

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Wie zeg jij dat ik ben?


De evangelielezing van vandaag is een heel bekende tekst, maar zo bekend als hij is, is hij ook zeer omstreden wat de uitleg ervan betreft – zowel de uitleg over Jezus als over Petrus.

Laten we beginnen met Petrus.

Volgens de katholieke kerk moet de opdracht of de sleutelmacht aan Petrus gegeven gezien worden als een opdracht aan hem en aan al zijn directe opvolgers. De orthodoxe kerk ziet in elke bisschop de opvolger van Petrus en de protestantse traditie is van oordeel dat deze functie alleen aan Petrus werd gegeven. Zoals u merkt, het is duidelijk een tekst die uitdaagt en reacties oproept (H. Servotte).

De tekst wordt enerzijds gelezen als een iets te nadrukkelijke bevestiging van het feitelijk ambt van de paus van vandaag en anderzijds door overijverige reformatorische christenen geminimaliseerd tot een vriendelijke uitspraak van Jezus aan het adres van Petrus, en alleen maar aan hem op dat moment (Hein Jan van Ogtrop).

De kerk heeft in de loop van haar geschiedenis Jezus’ sleutelmacht op heel verschillende wijzen – en niet altijd op een gelukkige wijze – gehanteerd. Zij heeft ontelbare mensen opgenomen in haar gemeenschap, maar zij heeft ook heel wat mensen geëxcommuniceerd, met andere woorden buitengesloten. Door schade en schande geleerd is zij moeten terugkomen op haar harde woorden en heeft ze de inzichten van geleerden en wetenschappers achteraf moeten aanvaarden (Frans Peerlinck).

Onlangs heeft paus Benedictus nog erkend dat hij, met ouder te worden, milder en barmhartiger is geworden in sommige pastorale benaderingen.

In de loop van de geschiedenis zien we meermaals zwakke schakels in de beleidsketen van de kerk, maar dankzij Gods steun is zij nooit ten volle onder gegaan.

Ook Paulus wijst er Petrus reeds op in zijn Galatenbrief dat zijn beslissing om niet aan tafel te zitten met onbesnedene meer ingegeven was door angst en gebrek aan inzicht dan wel door geloof in Jezus Christus. En hier is het ons vandaag uiteindelijk om te doen.

Jezus stelde zijn leerlingen twee vragen:
Wie zeggen de mensen…
en wie zeggen jullie dat ik ben?

In wat de mensen zeggen kunnen we kort zijn. Jezus was iemand die men kan vergelijken met een groot profeet. Jezus sprak over het koninkrijk Gods zoals Johannes de Doper, hij was een dienaar Gods zoals Elia en hij schuwde het lijden niet, zoals de profeet Jeremia. Vandaag zeggen de mensen: Jezus is een goed mens geweest die bekommerd was om zijn volk, zoals Martin Luther King, en zoals Gandhi …. Hij is een voorbeeld voor ons zoals er veel andere voorbeelden zijn. En het maakt dan ook niet zoveel uit of je nu christen ben, boeddhist of moslim.

Maar Jezus tilde niet zwaar aan de antwoorden van wat de mensen zeggen. Hij wilde weten wat jij zegt. En dan beseffen we pas dat hetgeen we willen zeggen eigenlijk niet kan gezegd worden.
Het is als met een jongen aan wie men vraagt eens uit te leggen waarom hij dit meisje gekozen heeft en geen ander. Hij begint dan uit te leggen: omdat ze blond haar heeft, blauwe ogen, een wel gevormd lichaam, een aardig figuur, een ontwapenende glimlach, een goed karakter enz.  Maar als men dan zegt dat er nog andere meisjes zijn met dezelfde kwaliteiten, dan blijft er maar één ding over: "Ik heb dit meisje gekozen omdat zij het is en ik hou van haar met haar kwaliteiten en met haar gebreken."

Uitleggen waarom men van iemand houdt is onbegonnen werk omdat het unieke van elke mens niet in algemeenheden te vatten is. De mooiste dingen kun je niet uitleggen, die moet je voelen met je hart, en we hebben slechts een totaalbeeld van iemand door hem of haar lief te hebben.

Zo is het ook met Jezus. We kunnen van Jezus zeggen dat niets menselijks hem vreemd was. Hij was echt en totaal mens. Hij at en dronk graag. Hij gging totaal vrij en zonder angst of vooroordeel om met machtigen en machtelozen, met mannen én vrouwen, met rijken en armen. Hij sprak scherpe en zachte woorden. Hij voelde mee met de massa en tevens vluchtte hij iedereen om met God, zijn Vader, alleen te zijn. In hem is het  bijbelwoord over de schepping voor het eerst totaal vervuld: Jezus is de mens als Gods beeld. Jezus is de mensenzoon waarin God zijn welbehagen heeft en die Petrus, gedreven door Gods Geest, doet zeggen: "Gij zijt de zoon van de levende God", "Gij zijt de Messias, de Gezalfde."

Door dit inzicht is Petrus de rots geworden waarop de christengemeente gebouwd is en waardoor God niet ophoudt zich een volk te verzamelen in Jezus' naam.

IK zei het al: men kan slechts een totaalbeeld van iemand hebben door hem of haar lief te hebben. Zo is het ook met Jezus. Niet zonder reden heeft Jezus tot driemaal toe gevraagd aan Petrus: bemin je mij? Het antwoord van Petrus – na veel vallen en opstaan - kennen we. Met tranen in de ogen bekende hij: "Ja Heer, u weet dat ik u bemin."

Misschien is het u ontgaan dat Jezus Petrus noemde: Simon, zoon van Jona. Jona is het beeld van de zwakke man die wegvluchtte voor zijn taak om Gods wil aan de Ninevieten te verkondigen. Jona liep weg en hij maakte een wereldreis over de zeeën om uiteindelijk God weer tegen te komen.

Bidden we, nadat we misschien vele wereldgodsdiensten hebben bestudeerd - of ook zonder studie - dat we God mogen tegen komen in Jezus Christus en rust vinden bij hem.

E. Costermans o.p.

 
   Terug