| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 28 augustus - twee-entwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jeremia 20,7-9
|
||
|
Goede vrienden,
Een kleine nota vooraf: om dit evangelie goed te
verstaan moeten we de lezing van vorige zondag voor ogen
houden waarin Jezus de woorden van Simon Petrus beaamt: "Gij zijt de
Christus, de zoon van de levende God". En diezelfde Christus horen we
vandaag zeggen dat Hij echt doorheen véél lijden zal moeten gaan. Of we
zouden kunnen resumeren: liefhebben zoals Jezus dat ten volle doet, gaat
onvermijdelijk samen met pijn die men moet slikken en moet doorkomen. Ik was een jongetje van 7 jaar (écht gebeurd wat ik
vertel) en was bezig mijn huiswerk te maken. Het puntje van mijn tong
schuin uit mijn mond en dan maar proberen de letters van het pas geleerde
alfabet op mijn lei te krijgen. Mijn dooppeter stond naast mij en keek met
veel genegenheid naar mijn zwoegen en hij vroeg: "Wat wil jij later
worden, jongen?" Ik had mijn antwoord klaar:
"Boerenknecht". Mijn verbaasde peter vroeg me naar het waarom
van die sterke levenskeuze. Mijn antwoord was: "Dan moet ik niet veel
leren en niet veel naar school gaan". Bij die duidelijk negatieve
motivatie krulden de wenkbrauwen van mijn peter tot vraagtekens. Bijna 20
jaar later, bij mijn eerste mis, waren die vraagtekens (mede door de
ouderdom) weggesmolten tot fijne heel grijze streepjes boven fonkelende
ogen. En ondertussen had ik zelf enorm veel respect gekregen voor de
boerenstiel omdat we op het einde van de oorlog vluchtonderkomen gevonden
hadden bij heerlijke boerenmensen.
Al bladerend in het evangelie, al sprekend met mensen,
al luisterend naar de verhalen van anderen, groeit er in ieder mens iets
van een deugdelijke innerlijke positieve‘dwang’ of een ‘positieve
motivatie’. Een inzicht dat men in Jezus’ richting moet handelen,
zelfs al voelt men de dwang van de omgeving om het anders te doen. Ondanks
het uitgelachen worden door zijn omgeving in de tijd van Jeremia, kan die
profeet niet weerstaan aan het móéten spreken over de Heer Jahwe: ‘Er
laait een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente’. En Jezus
zelf krijgt tegenwind , net van diegene die Hij even tevoren ‘steenrots
van de kerk’ genoemd had. Sterker nog: Hij noemt hem nu ‘Satan’.
Jezus houdt zielsveel van de mensen, maar doorziet tegelijk dat Hij daarom
door veel pijn en door de dood heen zal moeten. Maar uiteindelijk komt de vrede van
de verrijzenis.
Zou het niet zo zijn dat we als christen allemaal die
paradoxale heerlijke dwang voelen om doorheen pijn en lijden te gaan op
voorwaarde dat de andere mens er beter van wordt? En dan kunnen we zeggen:
je hebt ‘pijn’ en ‘pijn’. Er is de pijn van onmenselijk lijden en
doodgaan waarvoor zelfs de Heer Jezus schrik had. Bad Hij niet: ‘Laat
die kelk aan mij voorbij gaan'? Of met andere woorden: mensonterend
lijden en dood kan je niet verklaren. Ze blijven een onoplosbaar mysterie
en lijken soms de rots van het ongeloof te zijn. Maar het is niet déze
pijn die in het christelijk huwelijkscontract staat.
Maar wel is er de pijn die je als mens voelt als je
ondanks alles mensen omwille van God niet loslaat. Dat is de pijn waar men
doorheen moet, maar die omhangen is met de mantel van het vredegevoelen.
Och, ver moeten we niet zoeken. Een moeder die het aanzien moet,
dagelijks, dat haar gehandicapt kind zonder haar niet verder kan. En die
dan maar een vroeger gedroomde carrière opzij zet. Als dàt geen pijn
doet. Maar evenzeer: als dat geen uiteindelijke vrede geeft! Díé pijn
is de levensgezel van de vrede! Of de man of vrouw die de echtgenoot
voelt wegglijden in lichamelijke onmacht en aanvoelt hoe er nevel in de
hersenen van de partner is opgekomen waardoor het deugdelijke contact van
vroeger is gaan tanen. En die dan veel dingen opzij zet om er ‘altijd te
zijn’ voor die andere. Als dàt geen pijn doet! Maar nog eens: 'Als dàt geen mantel van vrede is'! En zou het niet kunnen dat eerlijke politici (en die
zijn er !) verdomd veel afzien van de onmogelijkheid hun goed bedoelde
plannen concreet gestalte te geven? En zou het niet kunnen dat ze met
zichzelf moeten vechten om in te zien of hun bedoelingen al dan niet
eerlijk zijn? Wat hier de latere mantel van de vrede zal zijn is nu
moeilijk af te lijnen.
Terug naar de kernzin van de evangelielezing: "Wie
mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en
zijn kruis op te nemen." En ik droom er voor mezelf bij dat op dat
kruis van lijden de wade van de vrede hangt. Zou dat niet kunnen? Als het
allemaal om Jezus’ wil gaat? Zou dat écht niet kunnen? Amen.
A. Vaganée o.p.
|
| |