Dominicanen Leuven Zondagspreken
  5 oktober - zevenentwintigste zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:


Jesaja 5,1-7
Matteüs 21,33-43

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

De vruchten van Gods Rijk opbrengen


Het is vandaag al de derde zondag na elkaar dat we in de evangelielezing horen spreken over een wijngaard. Wat doet vermoeden dat in het dagelijkse leven ten tijde van Jezus ‘wijngaard’ en ‘wijn’ een grote rol speelden. Men gebruikt immers de beelden van de tijd waarin men leeft om met allegorische woorden iets uit te drukken. Ik beeld me in dat men vandaag de dag woorden als ‘internet’, e-mail, gsm, chatten en IPod in elke uiteenzetting zou vinden. Alhoewel de ‘grand cru’s’ het ook nog altijd doen. Bij sommigen dan toch!!
Twee zondagen geleden ging het over de werkers van het elfde uur: met als pointe dat al wie echt werkt in de wijngaard van de Heer altijd welgekomen is. Maak maar geen menselijke rekeningen en mor niet: wie zich echt inzet voor het Rijk Gods krijgt voldoende om van te leven ook al zou je menselijk andere berekeningen maken. Vorige zondag moeste twee zonen in de wijngaard gaan werken. Eén zei ja en deed het niet, de andere zei neen en deed het tóch: met als moraal dat men niet te veel moet spreken en denken over iets maar dat men de daad bij het woord moet voegen en gerechtigheid beoefenen en je bekeren: tollenaars en zondaars hebben inderdààd de gerechtigheid beoefend die Johannes predikte.

Vandaag wordt het beeld van de wijngaard gebruikt om scherp af te rekenen met de priesters en Schriftgeleerden van Jezus’ tijd. De eerste lezing uit de profeet Jesaja is als de grisaille op het doek van een schilder die door de evangelielezing in kleur wordt gezet: ze hebben dezelfde tonaliteit. De evangelieparabel moet de toehoorders naar de keel hebben gegrepen. De schriftgeleerden moeten de parabel als een doodsteek hebben gevoeld. En eigenlijk was die inderdaad ook bedoeld om hen de adem af te snijden. De landeigenaar staat beeld voor Jahweh zelf: zoals geen ander heeft Hij de wijngaard grondig voorbereid en verzorgd: zelfs een uitgehakte wijnpers was er. Wijngaarden van minder allooi moesten het doen met andere middelen. En wie zou er een wachttoren hebben gebouwd? Enkel de meticuleuze wijngaardenier die wil dat de wijngaard het beste van het beste opbrengt. Hij staat beeld voor de zorgen die Jahweh aan zijn eigen volk heeft besteed, want een parabel heeft natuurlijk onderliggende betekenissen: het volk Israël is door de Heer verzorgd zoals een vader en moeder hun eigen lievelingskind met zachte strengheid vertroetelen.
Is het niet normaal dat de wijngaardenier verwacht dat de pachters de opgezette zorg verder zetten en er voor zorgen dat de opbrengst de naam kan dragen van ‘premier grand cru’ die de eigenaar dan ontvangen kan? Of met andere woorden: dat het volk van Israël er voor zorgt dat de wereld een wereld wordt zoals Jahweh hem droomt: heilig, rechtvaardig, liefdevol vol zorg voor de anderen. De leiders van het volk zouden Israël hebben moeten omvormen tot een volk waarvan de profeten al lang droomden.
Want we moeten de allegorie doortrekken: de parabel gaat over Schriftgeleerden van die tijd die het volk beladen met zware lasten maar de sukkelaars en ongeletterden aan hun lot overlaten. Er is helemaal geen paradijs gegroeid in het Israël van die tijd. De eigenaar van de wijngaard krijgt helemaal niets terug van wat hij zo zorgzaam aan anderen heeft toevertrouwd: integendeel de pachters potten op en doden de dienaars die de opbrengst kwamen ophalen. Uiteindelijk wordt ook de zoon gedood. Dat deze zoon beeld staat voor Jezus is voor de hand liggend. Dan gaat het verhaal verder en eindigt met de belofte dat alle vruchten aan een ànder volk zullen gegeven worden . Dat zal niet bestaan uit de toenmalige schriftgeleerden en Farizeeën.

Waaruit dan wel? Hoe zullen de gezichten en de harten van dat volk er uit zien? De evangelist verwijst naar allen die écht leven onder de adem van Gods geest. Daarom is de parabel van toen een parabel die evengoed vandaag geschreven kon worden: het verhaal loopt verder. 

De twee lezingen voor vandaag concreet maken is moeilijk; het is een werk dat jullie en ik samen zouden moeten doen en vertellen aan mekaar waar we ooit lichtpunten van hoop hebben meegemaakt of meer nog: zelf hoop hebben gecreëerd voor anderen. Misschien was dat een opgestoken duim naar de buitenlandse arbeider die in zijn rood kostuum de straten van Leuven proper zuigt van de rommel die wij er hebben achtergelaten. Of wellicht zijn het mensen die aan de rand van een ziekbed de angst van een zieke mee durven inademen en behoedzaam naar woorden zoeken waardoor er een sprankel hoop ontstaat.
Waarom zouden het geen politiekers kunnen zijn die het belang van anderen duidelijk laten voorgaan op behoud van eigen politiek vel? Soms heb ik de indruk dat politiek vel van uitermate taaie makelij is. Mensen die de vruchten van de wijngaard aan de Heer overdragen zijn bv. straathoekwerkers of gewone ouders die soms hard moeten slikken als hun kinderen suffig worden omdat ze langs de drugdealer zijn geweest. Of: ach, ik zou een maatschappijanalyse moeten maken en op de zere plekken drukken die de naam dragen van hebzucht, louter geldgewin. Maar mijn verhaal wordt dan eentonig.

Hoofdzaak is dat we alert zijn en in eigen leven scherp zien waar we in de geest van Jezus moeten handelen. Dit verhaal moeten jullie voor jezelf alle dagen opnieuw opstellen. Want wij willen een volk zijn dat ‘wél de vruchten van het Rijk Gods opbrengt’: dat is de laatste zin van de lezing. Hoeders van de wijngaard die beseffen dat ze alles alleen ontvangen hebben.

A. Vaganée o.p.

 
   Terug