| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 16 oktober - negenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja 45,1.4-6
|
||
|
Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of
niet? Beide groepen waren Jezus beu als koude pap. Beide waren ze
reeds meermalen voor schut gezet door Jezus. Door zijn tempelreiniging had
hij het joodse establishment en de commercie die ermee gepaard ging een
onvergeeflijke klap toegebracht. Door op een ezel de hoofdstad binnen te komen als
een vredevorst maakte hij Herodes tot een karikatuur. Vandaar de
grenzeloze afkeer van alle gezagsdragers. Ze zouden het Jezus betaald
zetten! Maar hoe? Want het was voor hen een raadsel waar die man het recht
haalde om op een dergelijke manier in het openbaar op te treden en
bovendien telkens weer met gezag te spreken en zo de massa te betoveren. In normale omstandigheden waren de Herodianen en de
Farizeeën elkaars tegengestelden, maar om Jezus te vangen en uit de weg te
ruimen hadden ze samen een opmerkelijk en doortrapt monsterverbond
gesloten. Eerst smeren ze Jezus stroop om de baard: "Meester,
wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; Gij
stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen." Wat hij ook antwoordt, menen ze, het zal hem in elk
geval de das omdoen. Maar Jezus laat zich niet vangen en gaat onmiddellijk
zelf in de aanval: ‘Waarom stellen jullie mij op de proef, huichelaars?
Toon mij een belastingmunt.’ Welnu, door te tonen dat zij, joodse gezagsdragers, zulk
een munt op zak hebben en dit nota bene nog wel op de heilige grond van
het tempelplein, bekennen ze zelf kleur. Ze erkennen hiermee dat ze met dit
geld zaken doen en dat ze het gezag van de keizer erkennen. En wanneer Jezus eraan toevoegt: "Geef dan aan de
keizer terug wat van de keizer is, en aan God wat van God is" geeft
hij meteen de enige juiste grondhouding weer van de rechtgelovige jood: God
alleen zult ge aanbidden. Hij alleen is de heerser over hemel en aarde,
Hem alleen zult ge gehoorzamen. Door de uitspraak ‘geef aan God wat van God is’
raakte Jezus de kern aan van waaruit Hij zelf leefde en handelde: het rijk
van God waar mensen, als beeld van God, niet meer worden gekleineerd en
niemand zichzelf goddelijke allures aanmeet. De macht van de machthebbers
wordt door Jezus op een radicale wijze gerelativeerd. Op een muntstuk kan men de beeltenis van de keizer
slaan, maar in het hart van elke mens heeft God zijn beeltenis geprent.
Daarom is het goed dat we, zoals Jezus, in elke mens sporen van God
proberen te ontdekken. Wanneer de mens alleen maar macht en geld betekent,
dan zijn we ver weg van wat God met de mens voorhad. Betaal aan de keizer zijn muntstukken, maar betaal aan
God met barmhartigheid en liefde, met recht en vrede: de ware muntstukken
die God welgevallig zijn. "Ik ben de Heer, en niemand anders!" zo
spreekt, God, de Heer. Zetten wij ons vooral in op plekken en situaties waarin
mensen het slachtoffer zijn van het machtsspel van de groten E. Costermans o.p. Inspiratie: Schriftinstuif, Gooi en Sticht, 1992,
blz. 269-273 |
| |