Dominicanen Leuven Zondagspreken
  16 oktober  - negenentwintigste zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Jesaja 45,1.4-6
1Tessalonicensen 1,1-5b
M
atteüs 22,15-21

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Beeld van God


Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?
Om de volle draagwijdte van deze vraag goed te verstaan is het goed de achtergrond van de vraagstellers te kennen, de Farizeeën en de Herodianen.

Beide groepen waren Jezus beu als koude pap. Beide waren ze reeds meermalen voor schut gezet door Jezus. Door zijn tempelreiniging had hij het joodse establishment en de commercie die ermee gepaard ging een onvergeeflijke klap toegebracht. Door op een ezel de hoofdstad binnen te komen als een vredevorst maakte hij Herodes tot een karikatuur. Vandaar de grenzeloze afkeer van alle gezagsdragers. Ze zouden het Jezus betaald zetten! Maar hoe? Want het was voor hen een raadsel waar die man het recht haalde om op een dergelijke manier in het openbaar op te treden en bovendien telkens weer met gezag te spreken en zo de massa te betoveren.

In normale omstandigheden waren de Herodianen en de Farizeeën elkaars tegengestelden, maar om Jezus te vangen en uit de weg te ruimen hadden ze samen een opmerkelijk en doortrapt monsterverbond gesloten.
Met een slimme strikvraag zouden ze hem in de val doen lopen. Ze kennen hem goed, en ze spelen het handig!

Eerst smeren ze Jezus stroop om de baard: "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen."
En dan komt hun vraag: Is het voor een jood geoorloofd belasting te betalen aan de keizer?

Wat hij ook antwoordt, menen ze, het zal hem in elk geval de das omdoen. Maar Jezus laat zich niet vangen en gaat onmiddellijk zelf in de aanval: ‘Waarom stellen jullie mij op de proef, huichelaars? Toon mij een belastingmunt.’
Deze munt met de afbeelding van de keizer erop ‘was in de ogen van gelovige joden een gruwel omdat zij ingaat tegen het tweede gebod: 'gij zult geen beelden maken’. En het opschrift op de rand van de munt is al evenzeer een gruwel; het luidde: ‘Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus’.

Welnu, door te tonen dat zij, joodse gezagsdragers, zulk een munt op zak hebben en dit nota bene nog wel op de heilige grond van het tempelplein, bekennen ze zelf kleur. Ze erkennen hiermee dat ze met dit geld zaken doen en dat ze het gezag van de keizer erkennen.

En wanneer Jezus eraan toevoegt: "Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan God wat van God is" geeft hij meteen de enige juiste grondhouding weer van de rechtgelovige jood: God alleen zult ge aanbidden. Hij alleen is de heerser over hemel en aarde, Hem alleen zult ge gehoorzamen.
Hierin steekt een diepe en alomvattende betekenis. Als trouwe jood in hart en nieren verwijst Jezus hier naar psalm 24 waar er geschreven staat: "Van God is de aarde en die haar bewonen! Wie mag beklimmen de hoogte van God, wie gaan en staan in zijn heilige stad? Mensen met onschuldige handen!" Met andere woorden: alles wat bestaat is schepping, ’van God’; en de kroon van de schepping is de levende mens, naar Gods beeld geschapen (Genesis 1,26) en geroepen om op God te gelijken.

Door de uitspraak ‘geef aan God wat van God is’ raakte Jezus de kern aan van waaruit Hij zelf leefde en handelde: het rijk van God waar mensen, als beeld van God, niet meer worden gekleineerd en niemand zichzelf goddelijke allures aanmeet. De macht van de machthebbers wordt door Jezus op een radicale wijze gerelativeerd.

Op een muntstuk kan men de beeltenis van de keizer slaan, maar in het hart van elke mens heeft God zijn beeltenis geprent. Daarom is het goed dat we, zoals Jezus, in elke mens sporen van God proberen te ontdekken. Wanneer de mens alleen maar macht en geld betekent, dan zijn we ver weg van wat God met de mens voorhad.

Betaal aan de keizer zijn muntstukken, maar betaal aan God met barmhartigheid en liefde, met recht en vrede: de ware muntstukken die God welgevallig zijn.

"Ik ben de Heer, en niemand anders!" zo spreekt, God, de Heer.
Niemand mag zich voordoen als God.
Vandaag roept God ons op tot bekering en tot bewogenheid om zijn wil te doen, ondanks en zelfs tegen de aardse heersers in die zich met God willen meten.

Zetten wij ons vooral in op plekken en situaties waarin mensen het slachtoffer zijn van het machtsspel van de groten

E. Costermans o.p.

Inspiratie: Schriftinstuif, Gooi en Sticht, 1992, blz. 269-273

 
   Terug