| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 13 november - drie-endertigste zondag |
|
|
Lezingen:
Spreuken
31,10-31
|
||
|
Het evangelie vertelt een onwaarschijnlijk verhaal. De tien meisjes
staan op de weg met hun feestlampjes te wachten op de bruidegom. Maar hij
komt niet opdagen.
"Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?" U
hebt dit zeker al horen voorlezen in kerkelijke uitvaarten, als laatste
eerbewijs van kinderen aan hun overleden moeder. Mijn moeder zei me een
keer: Ik hoop dat ze die tekst ook op mijn begrafenis zullen lezen. Om
haar te plagen zei ik: die tekst bezingt wel een vrouw die nog
springlevend is. Maar ze had haar antwoord klaar: Lees hem dan voor je
broers en zusters op mijn verjaardag.
Schriftkenners wijzen erop dat in de liturgie met het
loflied nogal eens wordt geknoeid. Men schrapt de verzen die de sterke
vrouw niet bezingen als zorgzame huismoeder, maar haar prijzen om haar
veelzijdige activiteiten buitenshuis. Ze is ook een zakenvrouw. niet de
vrouw van een man die aanzien geniet, maar andersom: haar man is de
echtgenoot van een vrouw die aanzien geniet. Maar nu het evangelie. God vertrouwt zijn koninkrijk toe aan iedereen die zich
gelovig noemt. Iedereen moet zijn talenten doen renderen ten bate van dit
rijk. Werken aan de bevordering van gerechtigheid, broederliefde en
dienstbaarheid, barmhartigheid, vrede en verzoening. Ieder gelovig mens
heeft zijn of haar eigen menselijke en gelovige gaven en capaciteiten,
sommigen hebben er veel en anderen minder, maar niemand is onbegaafd.
Niemand mag ze begraven of laten slapen.
De derde knecht in de parabel deed niets met het geld
dat hem was toevertrouwd. Hij stopte het in de grond en gaf het terug aan
zijn heer toen die rekenschap kwam vragen. Hij werd vreselijk hard
gestraft. De heer gaf het aan de man die er al de meeste had gekregen.
De eerste twee knechten werden door hun heer geprezen
en uitgenodigd op zijn feestmaal. Goede verstaanders begrijpen hieruit dat
de heer van het verhaal symbool staat voor Christus, de Heer van de
geschiedenis, die aan het einde ervan zal 'terugkeren' om zijn 'laatste
oordeel' uit te spreken. Op de zondagen aan het einde liturgisch jaar en
aan het begin van een nieuw jaar wordt vooruitgekeken naar dit einde van
de geschiedenis, en ook van ieders persoonlijke persoonlijke geschiedenis.
Aan iedereen zal rekenschap gevraagd worden van wat hij in zijn leven
gepresteerd heeft ten bate van Gods koninkrijk.
Het is een goede gelegenheid om achterom te kijken en
ons rekenschap te geven van wat we gedaan hebben met de gaven die ons zijn
toevertrouwd om ermee te werken.
Er zijn mensen die kunnen werken, maar niet willen. Ze
rekenen erop dat ze op kosten van de gemeenschap kunnen leven. Enig
gesjoemel is sommigen daarbij niet vreemd. Er zijn er ook die wel zouden
willen, maar niet meer mogen werken omdat ze gepensioneerd zijn. Voor hen
is de vraag: waaraan besteed ik de tijd en de geldsom waarover ik nu kan
beschikken?
Maar talrijker misschien zijn vandaag de mensen die
gaarne willen werken, maar niet kunnen. Er is op de markt geen vraag voor
de talenten die ze aanbieden (talenten in onze betekenis van het woord).
Het schendt hun menselijke waardigheid dat ze op kosten van anderen moeten
leven. Hoe dit kan verholpen worden kunnen we uit het evangelie natuurlijk
niet leren. Maar uit het evangelie valt wel te leren dat iedereen, waar en
hoe hij dit ook maar kan, zich moet inspannen opdat mensen die willen
werken het ook zouden kunnen. Ook dat is werken aan Gods koninkrijk.
Het is de moeite waard dat we dit alles overwegen nu de
kerkelijke liturgie vraagt vooruit te kijken naar de toekomst, op lange
maar ook op korte termijn, de termijn van het leven dat ons persoonlijk is
toegemeten. Arbeiden is werken aan de toekomst van Gods Rijk in de wereld.
Daarbij gaat het op verre na niet alleen om betaalde arbeid. Het gaat ook
om de vele kostbare vormen van vrijwilligerswerk, en evenzeer om de
activiteiten van mensen die, met recht en reden, of ook zonder, op
pensioen zijn.
B.J. De Clercq o.p. |
| |