| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 20 november - vierendertigste zondag |
|
|
Lezingen:
Ezechiël,
34,11-12.15-17
|
||
|
Goede vrienden,
Vandaag vieren we dus het feest van Christus, koning van
het heelal. Is dit feest van Christus als ‘koning’ niet een
beetje overjaars? We leven toch in een tijd waarin het vooral presidenten
zijn die mekaar soms in een ijltempo opvolgen! Vooral in tijden van
economische crisis. Maar toch.
We laten het beeld van een koning in stijf gestreken
uniform uit de Royalty-serie best vallen en proberen uit de schriftteksten
te zoeken naar het heilige karakter van zo’n figuur die men gerust koning
mag noemen. Maar dan vooral omwille van de inhoud van zijn leven.
De lezing van Ezechiël maakt van een koning een heel
zorgzame herder. Herder zijn was in die tijd een zware karwei omdat
men soms heel ver moest trekken om aan voedsel te geraken. Die herder uit de
lezing is boordevol zorg. Ik beeld me in dat hij met argusogen volgt wat er
met elk van de dieren gebeurt. Natuurlijk zijn er sterken bij die niet
onmiddellijk zorg nodig ebben. Anderen zijn gekneusd en worden met
herderdokterhanden liefdevol verzorgd. Sommigen zitten plotseling in
opkomende mist en hebben nood aan een veilige gids. De herder laat ze niet
aan hun lot over. Ook worden ze moe en dan wordt hen een doktersbriefje voor
rust voorgeschreven. Zo is een koning of hoe je die ook noemen wil: iemand
die met het warme hart, de aandachtige oplettendheid en de praktische zorg
omgaat met wat hem zo dierbaar is, wat voor hem een schat is. Niemand van
die kudde wordt aan zijn lot overgelaten. U voelt dat ik een glijbaan aan het schetsen ben om bij
de evangelietekst te komen. Maar de Mensenzoon in het evangelie is een
rechter: die kan men best typeren als ‘de rechter met het warme hart van
de herder’. Een goede ‘koning’ heeft de vaderhand van de wijze rechter
en de moederhand van de herder of herderin. Ik denk hierbij aan het
schilderij van Rembrandt: De Verloren zoon. Je ziet op de rug van die
verloren Zoon twee totaal verschillende handen van de vader: de ene is een
zachte vrouwenhand en de andere een stevige mannenhand. Men kan geen goede
‘koning’ zijn zonder die Rembrandthanden.
Het evangelieverhaal is rauw in zijn duidelijkheid. Komen
de rechtvaardigen de hemel in omdat ze hele dagen in aanbidding op een
eenzame plaats hebben neergezeten? Helemaal niet? Het moet u opgevallen zijn
dat in dit stuk evangelie geen sprake is van gebed. (natùùrlijk kan men
niet zonder gebed: Heeft Jezus ons niet met eigen woorden leren bidden in
het Onze vader ? Ja toch!). Maar hier wordt men geoordeeld al naar gelang
het gebed hart en handen heeft gekregen in zorg voor anderen.
Dat de honger talloze mensen aanvreet is helaas al te
duidelijk. En we moeten niet alleen naar andere continenten kijken Maar er
is honger naar nog andere zaken dan dagelijks brood: er is honger naar
menselijke nabijheid. Er is honger naar iemand die een vriendelijk woord
heeft, honger naar een glimlach. Honger naar een greintje zekerheid in het
leven. Honger naar inzicht in de zin van het leven. Het klinkt
ouderwets als we de oude boektitel naar boven halen: "Moeder, waarom
leven wij?" Maar naar het antwoord op die vraag hongeren zovelen. Leven
wij een antwoord voor? Of zoeken we niet naar woorden? Is het niet eigenaardig dat allen die voor de mensen
zorgen aan de Heer zeggen dat ze Hem eigenlijk nooit hebben gezien? En dan
zegt diezelfde Heer eigenlijk: bij al die kleinen en mensen in nood heb je
een beeld van mezelf gevonden. Dààr was en ben Ik aanwezig! Nergens
anders. Wie een wereld en mensen beter maakt komt Mij tegen. Elders ben Ik
eigenlijk niet. Is dat geen grote troost en tegelijk een onmetelijke
opdracht? In mensen is Christus de koning die een wereld beter maakt door
Rembrandhanden. Is dat niet heerlijk?
A.Vaganée o.p.
|
| |