| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 15 mei - Vierde paaszondag |
|
|
Lezingen:
1 Petrus
2,20-25
|
|||
|
Vrienden, Wat is dit leven in overvloed? Het lijkt me een leven
te zijn vanuit de volheid van het leven. Maar die volheid van het
leven wordt niet bepaald door onze eigen wensen, voorstellingen en noden.
Daarvoor zijn wij mensen te beperkt en te klein. Ons leven wordt vol, als
we erin slagen onze eigen voorstellingen over het leven los te laten. Dan
kan het leven in volheid met al zijn kracht in ons binnenstromen. We
moeten onderscheid leren maken tussen de stem van onze verlangens en
noden, die we als dringend ervaren, en de uitnodigingen tot verandering
vanuit de werkelijkheid zelf, die ons lokt met nieuwe perspectieven op
onze wereld en op onszelf, en die maar schuchter spreekt.
We mogen het onszelf niet verbergen dat we
gehechtheden aan onszelf, aan onze situatie, aan ons eigen opgebouwde
werk, zullen moeten loslaten. En loslaten brengt altijd pijn mee.
Ook daarvan moeten we ons laten doordringen. Willen we tot de volheid van
het leven komen, dan moeten we de wegen die het leven zelf gaat en die
pijn zullen doen, durven en willen gaan.
We moeten bewust en gewild ontvankelijk en gevoelig
willen zijn voor nieuwe perspectieven in ons leven, en in de
werkelijkheid die ons omringt. We moeten die zelfs actief zoeken. We mogen
de nieuwheid van de wegen van het leven zelf niet van meet af aan
de pas afsnijden. We moeten haar de kans geven om zichzelf te
manifesteren. Want de werkelijkheid zelf heeft een beter zicht op de
volheid van het leven dan wij dat kunnen hebben. Bovendien moeten we
ervan overtuigd geraken dat de werkelijkheid ons niet alleen een betere
wereld wil voorspiegelen, maar dat ze ons ook de innerlijke kracht
wil geven, om dat nieuwe ook echt als vervullend te kunnen ervaren. We
kunnen dan vermoeden dat het nieuwe de belofte van beter inhoudt.
Maar bovenal wil de werkelijkheid zelf - wil God - ons ook de kracht
geven, om in de moeilijkheden, die het nieuwe onvermijdelijk in
petto heeft, moed en volharding te vinden. Dan zullen we dit nieuwe met
onze eigen inzet - beetje bij beetje - hechter kunnen realiseren.
In ons leven met God komt het er vooral op aan,
gevoelig te worden voor het nieuwe dat werkt in de werkelijkheid, en dat
bij de mensen nog bestaansrecht moet krijgen. Het is er nog niet. Het laat
zich eerst vermoeden. Deze van God gekregen opdracht is voor alle
godgelovigen - of ze zich innerlijk getrokken voelen tot een ongehuwd
leven of tot het huwelijk - de eerste religieuze levensopdracht. En
gehuwden en ongehuwden moeten zien los te komen van de gevestigde
opvattingen over celibaat en huwelijk, om voor de nieuwe krachten
ontvankelijk te worden, die in het werkelijke huwelijk en in het
werkelijke celibaat naar realisering dringen. De werkelijkheden huwelijk
en celibaat zijn spanningsvoller dan de definities die ervan worden
gegeven.
Dit nieuwe lijkt me te liggen in een grotere
bewustwording van de menselijke dimensie van ons menselijk bestaan
als gehuwden en ongehuwden. De plaats van lichamelijkheid en verlangen
naar een veelkleurige open gehechtheid met meerdere mensen - mannen en
vrouwen – en in huwelijk en in celibaat moeten ernstiger dan tot nog toe
worden bedacht. We moeten eindelijk een open gesprek daarover aandurven.
Moge God ons daartoe de kracht schenken.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |