Dominicanen Leuven Zondagspreken
  3 april  - vierde zondag van de Vasten Afdrukken
 

 

Lezingen:

Efesiërs 5,8-14
Johannes 9,1-41

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Geloven


Jezus vernam dat de door hem genezen blindgeborene uit de synagoge was buiten geworpen, en toen hij hem aantrof, zei hij: ‘Gelooft ge in de Mensenzoon?’ Hierop antwoordde de blindgeborene:’Wie is dat, Heer? Dan zal ik in hem geloven’. Jezus zei hem: ‘Gij ziet hem, het is degene die met u spreekt’. Toen zei de blindgeborene: ‘Ik geloof, Heer’. ‘Ik geloof, Heer’, zijn de woorden die een gelovige mens moet spreken. Deze woorden, gesproken in de ontmoeting met Jezus, zijn het waarmerk van een echt gelovige mens.

Een gelovig mens zijn betekent dat ik mij laat aangrijpen door Jezus of God, die onverwachts vóór mij staat. Stel ik mij open of sluit ik mij af? De indruk die Jezus of God op het moment zelf maakt, moet het doen. We kunnen geen twee dagen bedenktijd vragen. Geloof ik in hem, d.i. betrouw ik op hem, of laat ik mij niet raken? Doen zijn verschijning en zijn woorden mij goed? Daarop moet ik op het moment van de ontmoeting het antwoord durven geven. Geloven heeft met durf te maken. Met durf tegenover God of tegenover een mens van vlees en bloed. Geloven heeft niet veel te maken met het aannemen van geloofswaarheden: het bestaan van God, de drie-eenheid van God, de onfeilbaarheid van de paus, of de geboorte van Jezus uit een maagd. Geloven heeft wel te maken met durven aannemen dat de ontmoeting met de ander, die mij verschijnt, mij goed doet. Geloven heeft te maken met durven uit zijn schelp komen, en ingaan op een ander, die zichzelf onopdringerig aanreikt. Geloven is durven geloven dat er nu – op dit eigenste moment – iets goeds met mij gebeurt. En daar blij en dankbaar om zijn.

Hoe blijkt dit nu uit het evangelie van vandaag? In het lange gesprek van de farizeeën met de genezen blindgeborene stelt de evangelist Johannes de houding van de echte gelovige, die Jezus omwille van de ervaren weldoende werking in zijn lichaam aanneemt, tegenover die van de farizeeën, die een hele batterij redenen aanvoeren, waarom zij niet in de genezende kracht van Jezus kunnen geloven. Een eerste obstakel voor hun geloof vinden de farizeeën in het feit dat Jezus de man genas op een sabbat. Welnu op een sabbat mag volgens de Joodse wet niemand werken: dus ook geen slijk maken om op de ogen van de blindgeborene te strijken. Jezus onderhoudt dus de geboden van God niet. En hij kan dus niet een godgelovige zijn. Dus kan hij ook geen wonderen doen.

Daarna betwijfelen ze de authenticiteit van het wonder. Was de blindgeborene wel blindgeboren? Was het niet gewoon een bedrog van de blindgeborene? Dus worden de ouders van de blindgeborene erbij gehaald, die moeten bevestigen dat hij werkelijk blindgeboren is.

Daarna zetten de Farizeeën weer de blindgeborene zelf onder druk met hun kennis van de Joodse traditie en wet. Wij weten dat die man - Jezus - een zondaar is. Zij beweren te zien! Iets beweren is spreken vanuit zogezegd ‘zien’. Het antwoord van de blindgeborene is ontwapenend: ‘Of hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie’. De blindgeborene roept zijn eigen ervaring in. En hij besluit: ‘Als deze man - Jezus - niet van God kwam, had hij zo iets nooit kunnen doen in de kracht van God’. Toen wierpen de Farizeeën hem buiten.

Tot slot van het lange verhaal laat de evangelist Jezus zelf zijn plaats in het verhaal verklaren: ‘Tot een oordeel ben ik in de wereld gekomen, opdat wie niet zien zouden zien, en wie zien blind zouden worden’. De farizeeën trekken het schoentje aan. ‘Zijn ook wij soms blind? Hierop antwoordt Jezus: ‘Als gij blind waart, zoudt ge geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde’. De farizeeën ‘zien’ alles wat er in de wet en de profeten staat geschreven, maar zij zien niet wat voor hun eigen ogen gebeurt. Daarom zijn en blijven zij in de fout. De ware gelovige is wie durft te geloven in de bevrijding die hem geschiedt.

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug