| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 3 april - vierde zondag van de Vasten |
|
|
Lezingen: E
|
|||
|
Jezus vernam dat de door hem genezen
blindgeborene uit de synagoge was buiten geworpen, en toen hij hem
aantrof, zei hij: ‘Gelooft ge in de Mensenzoon?’ Hierop
antwoordde de blindgeborene:’Wie is dat, Heer? Dan zal ik in hem
geloven’. Jezus zei hem: ‘Gij ziet hem, het is degene die met u
spreekt’. Toen zei de blindgeborene: ‘Ik geloof, Heer’. ‘Ik
geloof, Heer’, zijn de woorden die een gelovige mens moet
spreken. Deze woorden, gesproken in de ontmoeting met Jezus,
zijn het waarmerk van een echt gelovige mens.
Een gelovig mens zijn betekent dat ik mij laat
aangrijpen door Jezus of God, die onverwachts vóór mij staat. Stel
ik mij open of sluit ik mij af? De indruk die Jezus of God op het
moment zelf maakt, moet het doen. We kunnen geen twee dagen
bedenktijd vragen. Geloof ik in hem, d.i. betrouw ik op hem, of laat
ik mij niet raken? Doen zijn verschijning en zijn woorden mij goed?
Daarop moet ik op het moment van de ontmoeting het antwoord durven
geven. Geloven heeft met durf te maken. Met durf tegenover God of
tegenover een mens van vlees en bloed. Geloven heeft niet veel te
maken met het aannemen van geloofswaarheden: het bestaan van God, de
drie-eenheid van God, de onfeilbaarheid van de paus, of de geboorte
van Jezus uit een maagd. Geloven heeft wel te maken met durven
aannemen dat de ontmoeting met de ander, die mij verschijnt, mij
goed doet. Geloven heeft te maken met durven uit zijn schelp komen,
en ingaan op een ander, die zichzelf onopdringerig aanreikt. Geloven
is durven geloven dat er nu – op dit eigenste moment – iets
goeds met mij gebeurt. En daar blij en dankbaar om zijn.
Hoe blijkt dit nu uit het evangelie van vandaag?
In het lange gesprek van de farizeeën met de genezen blindgeborene
stelt de evangelist Johannes de houding van de echte gelovige, die
Jezus omwille van de ervaren weldoende werking in zijn lichaam
aanneemt, tegenover die van de farizeeën, die een hele batterij
redenen aanvoeren, waarom zij niet in de genezende kracht van Jezus kunnen
geloven. Een eerste obstakel voor hun geloof vinden de farizeeën in
het feit dat Jezus de man genas op een sabbat. Welnu op een sabbat
mag volgens de Joodse wet niemand werken: dus ook geen slijk maken
om op de ogen van de blindgeborene te strijken. Jezus onderhoudt dus
de geboden van God niet. En hij kan dus niet een godgelovige zijn.
Dus kan hij ook geen wonderen doen.
Daarna betwijfelen ze de authenticiteit van het
wonder. Was de blindgeborene wel blindgeboren? Was het niet gewoon
een bedrog van de blindgeborene? Dus worden de ouders van de
blindgeborene erbij gehaald, die moeten bevestigen dat hij werkelijk
blindgeboren is.
Daarna zetten de Farizeeën weer de blindgeborene
zelf onder druk met hun kennis van de Joodse traditie en wet. Wij weten
dat die man - Jezus - een zondaar is. Zij beweren te zien! Iets
beweren is spreken vanuit zogezegd ‘zien’. Het antwoord van de
blindgeborene is ontwapenend: ‘Of hij een zondaar is, weet ik
niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie’. De
blindgeborene roept zijn eigen ervaring in. En hij besluit: ‘Als
deze man - Jezus - niet van God kwam, had hij zo iets nooit kunnen
doen in de kracht van God’. Toen wierpen de Farizeeën hem buiten.
Tot slot van het lange verhaal laat de evangelist
Jezus zelf zijn plaats in het verhaal verklaren: ‘Tot een oordeel
ben ik in de wereld gekomen, opdat wie niet zien zouden zien, en wie
zien blind zouden worden’. De farizeeën trekken het schoentje
aan. ‘Zijn ook wij soms blind? Hierop antwoordt Jezus: ‘Als gij
blind waart, zoudt ge geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien,
blijft uw zonde’. De farizeeën ‘zien’ alles wat er in de wet
en de profeten staat geschreven, maar zij zien niet wat voor hun
eigen ogen gebeurt. Daarom zijn en blijven zij in de fout. De ware
gelovige is wie durft te geloven in de bevrijding die hem geschiedt.
Jaak Vandenbulcke o.p.
|
| |