| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 5 juni -Zevende paaszondag |
|
|
Lezingen:
Handelingen
1,12-14
|
|||
|
Vrienden,
Het evangelie dat ik heb voorgelezen, heeft te maken
met eeuwig leven. Maar eeuwig leven is niet zozeer een leven dat eeuwig
duurt zonder ooit eens op te houden. Dat doet het ook, maar dat is niet
het belangrijkste. Het belangrijkste is dat het een leven is dat zich
altijd voort vernieuwt vanuit de God van liefde en goedheid. In dit eeuwig
leven hebben God, Jezus, die een mens was zoals wij, en wij zelf onze
plaats, en daarin vinden wij onze levenseenheid met elkaar in onderlinge
verbondenheid.
Vooreerst is de onzichtbare God de schenker van dit
eeuwig, zich altijd vernieuwend leven. God is het centrum van alles
wat bestaat, en zich in werkzaamheid ontplooit vanuit een onderlinge
openheid voor elkaar. God geeft ons het leven, en daar bovenop de kracht
om zinvol te leven, ook in omstandigheden, die soms danig tegenzitten. Hij
is geen sprookjesgod, die het ons altijd goed laat gaan. Omdat hijzelf
goed is, verlokt hij ons innerlijk om voor elkaar open te staan, en voor
elkaar last en zorg op te nemen. Zo is onze God die wij vereren, en
tegenover wie wij dankbaar zijn. Nog vóór onze dood zullen we dit eeuwig
leven al enigszins bereiken, als we God leren zien als de gever van
dit leven in liefde en inzet voor elkaar, zelfs als het ons iets kost. Jezus van Nazareth nu was de mens die op aarde het werk
volbracht dat God hem had opgedragen te volbrengen: goed te zijn. Jezus is
voor ons het voorbeeld hoe we volgens het verlangen van God moeten
leven in telkens vernieuwde nieuwheid. Hij hing niet vast aan zichzelf.
Hij gaf zijn leven voor ons. Jezus stelt zich niet in de
plaats van God. Hij weet dat God in de hemel hem mensen schenkt, die naar
hem zullen luisteren, omdat ze in hem met hun menselijke ogen kunnen zien,
dat hij echt het leven leidt, waarvoor God zelf hun hart verlangend en
tastend opende. De schrijver van het Johannesevangelie laat Jezus tot God,
zijn en onze Vader, zeggen: ‘Ik heb Uw naam geopenbaard aan de mensen
die Gij mij uit de wereld hebt gegeven, U behoorden ze toe’.
Jezus is ervan doordrongen dat het God is, die de mensen die vóór hem
zitten, opende voor het beeld van God dat Jezus hen voorhield, in zijn
leer en in zijn optreden bij en voor de mensen. Jezus weet dat God
innerlijk werkt in de mensen die naar hem willen luisteren. Hun luisteren
is Gods werk. Ook Jezus weet zich door God liefderijk omgeven. Ook voor
Jezus is de onzichtbare God in de hemel het centrum van de wereld en van
zijn eigen menselijk leven. Wij zijn dan ook terecht broeders en zusters
van Jezus in de ons allen dragende liefde van God.
Hoe leren we tenslotte onszelf in de evangelielezing
kennen? ‘Niet voor de wereld bid ik, maar voor hen, die gij - God
- mij hebt gegeven, omdat zij u toebehoren’, zegt Jezus. Wij, ieder van
ons, behoren toe aan de liefderijke God, omdat hij ons bemint. God maakt
ons bovendien innerlijk ontvankelijk voor het menselijk voorbeeld van
Jezus’ leer en leven. Als we Jezus willen volgen in zijn dankbare
zelfgave, mogen we zeker zijn dat we mensen zijn naar het hart van God.
Het gaat dan niet zozeer om het onderhouden van wetten en geboden, maar om
de bereidheid om altijd nieuwe mogelijkheden in de anderen te ontdekken.
Daarvoor spreekt Jezus altijd voor ons ten beste bij zijn en onze Vader.
‘Ik bid voor hen’ zegt Jezus, want: ‘Ik blijf niet langer in de
wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl ik naar u toe kom’.
Wij, wij mogen ons gedragen weten door God, en door Jezus, en tenslotte
door onze broeders en zusters. Zo vormen God, Jezus en wij allemaal een
hechte eenheid in lief en leed. Die eenheid moeten we steeds meer in ons
leven proberen te realiseren. Dan mogen we ons echt Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |