| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 6 maart - negende zondag |
|
|
Lezingen: Deuter
|
|||
|
Goede Vrienden,
De rode lijn in de lezingen is duidelijk: spreken
is zilver maar handelen in een wereld waarin we leven - en dat in
het spoor van Jezus-: dat is nu goud. Of ook het zwijgen goud is:
dat laat ik aan jullie smaak over.De eerste lezing uit Deuteronomium
geeft het laatste gedeelte van een preek van Mozes vooraleer de
Joden het beloofde land binnen trekken: Gods geboden zijn heilige
eis voor het volk. En die geboden hebben te maken met zorg voor het
volk. De evangelielezing is het einde van de Bergrede van Matteüs:
niet de vrome vromelingen die louter prevelen en wegzinken in bijna
vreemde woordengebeden, zullen binnengaan in Gods koninkrijk.
Ook niet diegenen die perfect napraten wat er wettisch
neergeschreven staat en dan denken dat alles ‘kits’ is, gaan
binnen in dat Rijk Gods. Jezus zegt dat zij mensen zijn die hun
huizen bouwen met te weinig gelovige cement maar wel met veel te
veel gewoon zand in hun bouwmortel. En een klein schokje van 0,01 op
de religieuze schaal van Richter doet hun bouwsel in mekaar storten.
Maar wie de wet van Jezus hoort en ernaar hàndelt, die zit op het
juiste spoor. De rode draad dus: wie na het bidden en vieren in
zichzelf geen aansporing overhoudt om te handelen, die heeft
wellicht slechts onvroom gepreveld. Het evangelie heeft een
deugdelijke heilige angel in zich die ons doet voelen dat het beste
gevoelen niets anders is dan de heilige onrust, omdat we zo dikwijls
toch adderkluwens van miserie tegenkomen.
Mogen we dan niet spreken en verhalen? Of zou
elke woord slechts een vluchtig iets zijn? Ik mag een pleidooi
houden (het is pro Deo !) voor de arbeid die elk mens moet opbrengen
om een genezend woord te spreken tot anderen. ‘Een goed woord is
een zuivere diamant’: zo zegt men. Maar er is veel slijpwerk nodig
om tot zo'n diamant te komen. De grote arbeid voor een gesprek is,
me dunkt, zichzelf van vooroordelen vrij te maken. Zo moeilijk.
Meestal weet ik bij voorbaat wat de andere weer maar eens gaat
zeggen. We kennen toch mekaars melodie en de toonaard ervan. Of niet
soms? En soms begrijp ik de ander niet omdat die bv. uit een heel
ander milieu komt. Het overkomt me wel eens dat ik in een of ander
volksstaminee een pint drink en poog een gesprek met de tooghangers
aan te gaan. Meestal kom ik er eerder bekaaid van af: ik begrijp hun
woorden, allusies en intonaties niet zo goed omdat ze uit een andere
levensmilieu (daarom niet slechter) komen dan ikzelf.
Kardinaal Martini, de oud-aartsbisschop van
Milaan zei ooit dat men om goed te kunnen spreken, eerst moet
zwijgen en pogen te verstaan wat de ander me eigenlijk zegt. Goed
gesprek vraagt de heilige arbeid van het luisteren. Heb je nog nooit
meegemaakt dat je aan iemand vraagt: ‘Hoe gaat het met jou, nu, na
je wat ziekjes zijn?" Zegt die andere: "Och….goed…ja..nogal".
En zeg je dan dat je dat heerlijk vind dat hij weer beter is, dan
heb je zijn of haar lichaamstaal wellicht niet begrepen en ook de
beving in de stem niet gehoord. Dat 'nogal goed' kan de camouflage
zijn van 'niet zo best'. Maar om dàt te verstaan moet je dus die
heilige arbeid hebben geleverd : jezelf eerst leegmaken , aandachtig
luisteren en dàn pas spreken.
In de evangelielezing wordt over het heilig
handelen van het woord niet in grootse bewoordingen gesproken. Maar
me dunkt dat we toch, parafraserend, met Jezus mogen zeggen : "
Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort, ernaar handelt en het
juiste genezend woord heeft gevonden, kan men vergelijken met een
verstandig man die zijn huis op de rotsgrond bouwde."
Ik bedenk bij mezelf dat Jezus die woordkunst van
luisterend verstaan, gestalte heeft gegeven, zijn hele leven lang.
Hét evangelievoorbeeld daarvan is het verhaal van de zondares die
door de Joden zou worden gestenigd. Jullie kennen het verhaal: de
joden dropen af. Dan moet het heel stil zijn geweest terwijl Jezus
in het zand schreef en uiteindelijk zegt: ‘Hebben ze jou niet
veroordeeld? Ik ook niet. Ga maar en zondig niet meer". Amen.
A. Vaganée o.p. |
| |