Dominicanen Leuven Zondagspreken
  6 maart  - negende zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Deuteronomium 11,18.26-28

Matteüs 7,21-27

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Op rotsgrond bouwen


Goede Vrienden,

De rode lijn in de lezingen is duidelijk: spreken is zilver maar handelen in een wereld waarin we leven - en dat in het spoor van Jezus-: dat is nu goud. Of ook het zwijgen goud is: dat laat ik aan jullie smaak over.De eerste lezing uit Deuteronomium geeft het laatste gedeelte van een preek van Mozes vooraleer de Joden het beloofde land binnen trekken: Gods geboden zijn heilige eis voor het volk. En die geboden hebben te maken met zorg voor het volk. De evangelielezing is het einde van de Bergrede van Matteüs: niet de vrome vromelingen die louter prevelen en wegzinken in bijna vreemde woordengebeden, zullen binnengaan in  Gods koninkrijk. Ook niet diegenen die perfect napraten wat er wettisch neergeschreven staat en dan denken dat alles ‘kits’ is, gaan binnen in dat Rijk Gods. Jezus zegt dat zij mensen zijn die hun huizen bouwen met te weinig gelovige cement maar wel met veel te veel gewoon zand in hun bouwmortel. En een klein schokje van 0,01 op de religieuze schaal van Richter doet hun bouwsel in mekaar storten. Maar wie de wet van Jezus hoort en ernaar hàndelt, die zit op het juiste spoor.
En die Jezuswet heeft altijd ‘zorg om de anderen’ in zich. Zo lezen we dat in alle evangelies . Jezus vraagt dus dat een gelovige wèrkt aan gerechtigheid en rechtvaardigheid. Wellicht klinkt dit wat te vaag, nu op dit ogenblik, en stellen we vast dat we die woorden al elfendertig keer hebben gehoord. Maar onze opdracht is: straks, morgen, overmorgen…die woorden niet te vergeten. Dan pas zal blijken of datgene wat we nu in deze viering hoorden en bemediteerden enige uitwerking heeft gehad. Morgen pas zullen we zelf ervaren of we vandaag in dit gelovig samenzijn wat energie hebben opgedaan om een wereld een ietsje menselijker (en dus goddelijker) te maken.
Die wereld begint natuurlijk in de onmiddellijke kleine wereld waarin we dagelijks vertoeven. Wel weten we ons onmachtig om veel te doen aan de moeilijkheden in het Noorden van Afrika en zoveel andere miserieplaatsen. Maar het oplossen van een conflict, ruzie bijleggen, het luizig nietsdoen uit eigen hart weren, het moedig dulden van de zoveel moeilijke tics van de ànderen (wijzelf hebben géén tics, natuurlijk), het toch maar proberen de littekens van jaloezie van eigen ziel weg te halen, het zevenmaal zeventig keer vergiffenis geven, een stevige aalmoes geven en mee marcheren in tochten tegen bewapening…..Ach, ik voel me eentonig worden in het opnoemen van al die zaken die ieder van ons in eigen leven meemaakt.
Bij dit alles onthouden we van het evangelie dat het doen van goede werken niet veel zin heeft als je overigens de ‘ongerechtigheid’ in helle kleuren hoog in je vaandel schildert. Sommigen, zo horen we in het evangelie, mogen zelfs duivels uitdrijven, maar als ze voor de rest de geïncarneerde ongerechtigheid zijn, wil Jezus niet met hen te doen hebben.

De rode draad dus: wie na het bidden en vieren in zichzelf geen aansporing overhoudt om te handelen, die heeft wellicht slechts onvroom gepreveld. Het evangelie heeft een deugdelijke heilige angel in zich die ons doet voelen dat het beste gevoelen niets anders is dan de heilige onrust, omdat we zo dikwijls toch adderkluwens van miserie tegenkomen.

Mogen we dan niet spreken en verhalen? Of zou elke woord slechts een vluchtig iets zijn? Ik mag een pleidooi houden (het is pro Deo !) voor de arbeid die elk mens moet opbrengen om een genezend woord te spreken tot anderen. ‘Een goed woord is een zuivere diamant’: zo zegt men. Maar er is veel slijpwerk nodig om tot zo'n diamant te komen. De grote arbeid voor een gesprek is, me dunkt, zichzelf van vooroordelen vrij te maken. Zo moeilijk. Meestal weet ik bij voorbaat wat de andere weer maar eens gaat zeggen. We kennen toch mekaars melodie en de toonaard ervan. Of niet soms? En soms begrijp ik de ander niet omdat die bv. uit een heel ander milieu komt. Het overkomt me wel eens dat ik in een of ander volksstaminee een pint drink en poog een gesprek met de tooghangers aan te gaan. Meestal kom ik er eerder bekaaid van af: ik begrijp hun woorden, allusies en intonaties niet zo goed omdat ze uit een andere levensmilieu (daarom niet slechter) komen dan ikzelf.

Kardinaal Martini, de oud-aartsbisschop van Milaan zei ooit dat men om goed te kunnen spreken, eerst moet zwijgen en pogen te verstaan wat de ander me eigenlijk zegt. Goed gesprek vraagt de heilige arbeid van het luisteren. Heb je nog nooit meegemaakt dat je aan iemand vraagt: ‘Hoe gaat het met jou, nu, na je wat ziekjes zijn?" Zegt die andere: "Och….goed…ja..nogal". En zeg je dan dat je dat heerlijk vind dat hij weer beter is, dan heb je zijn of haar lichaamstaal wellicht niet begrepen en ook de beving in de stem niet gehoord. Dat 'nogal goed' kan de camouflage zijn van 'niet zo best'. Maar om dàt te verstaan moet je dus die heilige arbeid hebben geleverd : jezelf eerst leegmaken , aandachtig luisteren en dàn pas spreken.

In de evangelielezing wordt over het heilig handelen van het woord niet in grootse bewoordingen gesproken. Maar me dunkt dat we toch, parafraserend, met Jezus mogen zeggen : " Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort, ernaar handelt en het juiste genezend woord heeft gevonden, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op de rotsgrond bouwde."

Ik bedenk bij mezelf dat Jezus die woordkunst van luisterend verstaan, gestalte heeft gegeven, zijn hele leven lang. Hét evangelievoorbeeld daarvan is het verhaal van de zondares die door de Joden zou worden gestenigd. Jullie kennen het verhaal: de joden dropen af. Dan moet het heel stil zijn geweest terwijl Jezus in het zand schreef en uiteindelijk zegt: ‘Hebben ze jou niet veroordeeld? Ik ook niet. Ga maar en zondig niet meer". Amen.

A. Vaganée o.p.

 
   Terug