Dominicanen Leuven Zondagspreken
  26 december 2010 - Feest Heilige Familie Afdrukken
 

 

Lezingen:

Jezus Sirach 3,2-7.12-14
Matteüs 2,13-23

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Vader en moeder

Goede vrienden,
‘Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden, en als iemand die schatten verzamelt is hij die zijn moeder eert.’ Hoe moeten we deze woorden begrijpen? Maakt onze God van onze eerbied voor vader en moeder een voorwaarde om onze zonden te vergeven? Maar wat gebeurt er dan met wie in een zwaar belast gezin leeft, en vader of moeder, of beide samen, menselijkerwijze gesproken niet kan eren? Wat gebeurt er met iemand die menselijk onmogelijk met een partner kan samenleven, die blijkbaar vanuit zijn of haar geestesconstitutie geen openheid tot een partner kan vinden? Moet zo iemand zichzelf beschuldigen dat hij of zij moreel is tekortgeschoten? Of moeten we in ons spreken en preken zorgvuldiger zijn? Zou het niet kunnen zijn dat de schrijver van het oudtestamentische boek Jezus Sirach, wellicht een te autoritair beeld van God had? Is God zelf werkelijk in eerste instantie de beloner van het goede en de bestraffer van het kwaad?

God is zeker de beloner van het goede en de bestraffer van het kwaad. Dat staat vast. De grote vraag blijft echter: wat is goed en wat is kwaad? We moeten oppassen met woorden die in de Bijbel God in de mond worden gelegd. Zou God zo gemakkelijk fouten zien in de verhoudingen in een gezin? Zijn de verhoudingen in een gezin in zijn ogen zo zonneklaar? Zijn ze niet veel complexer dan Jezus Sirach zich lijkt voor te stellen? Waarschijnlijk is het Jezus Sirach, die van God vooral een beloner en bestraffer maakt. In ieder geval maken veel gelovigen ook nu nog van God een autoritair iemand.

Maar ik kan me maar moeilijk voorstellen, dat de God van Jezus van Nazareth aan een dergelijk beeld beantwoordt. Hij lijkt toch veeleer iemand te zijn die de reële omstandigheden van het leven heel goed ziet en er op een barmhartige wijze rekening mee houdt. Jezus leerde ons zijn hemelse Vader kennen als iemand die niet vlug oordeelt, en zeker niet vlug veroordeelt (Matteüs 7). Die hemelse Vader lijkt niet veel belang te hechten aan de onderscheidingen tussen goeden en kwaden die wij mensen gemakkelijk aanbrengen. Wie in nood is, moet worden geholpen, of hij nu Jood is of niet. Voor ons, of hij christen is of niet. Zoals in de parabel van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10). In het evangelie van Johannes wil God in het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw evengoed op de berg in Samaria - dit is: bij de heidenen - als op die in Jeruzalem worden aanbeden. Want wie de Vader echt aanbidt, aanbidt hem in Geest en in waarheid. Dat lijkt me in te sluiten dat God zich niet gebonden acht aan onze onderscheidingen tussen goed en kwaad, maar dat hij ziet dat de werkelijkheid een mengeling is van goed en kwaad, en dat we daarmee rekening moeten houden (Johannes 4). Daarenboven waarschuwt Jezus de knechten in de parabel van het onkruid tussen de tarwe, om niet te vlug het onkruid te willen uitwieden. De reden waarom hij dat niet wil doen, is veelzeggend. ‘Nee, doet dat niet, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur’(Matteüs 13).

Toch kunnen we nog een zin geven aan het ideaal van het gezin dat geborgenheid geeft. Het is een paradijselijk ideaal, dat we kunnen en moeten nastreven, maar dat wel niet kan worden gehanteerd om mensen die daar om gegronde redenen niet in slagen, te veroordelen of te kritiseren. We mogen en moeten in vader en moeder de oorsprong van ons persoonlijk leven eren. Vader en moeder zijn de medewerkers met God om ons het leven te schenken, zodat we daarover toch ook gelukkig kunnen zijn.

En wat God betreft, ik zie hem toch liever als degene die in de soms grote moeilijkheden, die mensen in hun relaties kunnen hebben, steun en kracht is, om niet kopje onder te gaan. Dat doet hij vanuit een grote liefde voor al de betrokkenen in de moeilijke relaties. Voor de ambetanterikken en voor de geduldige dragers. Zo is de God, die in Jezus heeft getoond dat hij de mensen zo nabij wil komen, dat hij hun menselijk leven in lief en leed helemaal wil delen.

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug