Dominicanen Leuven Zondagspreken
  30 oktober  - eenendertigste zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Apocalyps 7,2-4.9-14
Matteüs 5,1-12

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Het volk van God


Vrienden,

We hoorden in de eerste lezing het visioen van de schare in witte gewaden vóòr de troon van God, die hem loven en danken. Wat mij intrigeert is, wie er wel tot die schare van God lovenden mogen en kunnen behoren. Ik vermoed dat het mensen moeten zijn, die God zelf in hun hart echt hebben ervaren, en daar gelukkig en dankbaar kunnen om zijn. Wij moeten de goedheid en de stille kracht van God in ons leven en in het leven van de mensen om ons heen leren ervaren. We moeten hem in die goedheid en stille kracht zoeken, gelovend dat hij daar is te vinden.

Waarom vermoed ik dat? Omdat een van de oudsten die rond de hemelse troon van God staan, aan de schrijver van het visioen vraagt: ‘wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ De ziener van het visioen antwoordt: ‘U weet dat zelf, heer’. De ziener, een mens zoals wij allen, kan dat niet weten. Daarom wacht de oudste uit de hemel niet op het antwoord, en geeft dat antwoord zelf: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het Lam.’

Degenen die God mogen en kunnen loven, uit de grond van hun hart, zijn zij die komen uit de grote verschrikkingen en hun gewaden hebben witgewassen in het bloed van het Lam. Willen we God in de juiste gesteltenis kunnen danken en loven, dan moeten we uit de grote verdrukking komen. Het moeten mensen zijn die hun leven op het spel hebben gezet. Ze moeten het ‘leven-in-vragenloze-zekerheden’ hebben verlaten. Ze moeten van de al te rechte wegen hebben durven afwijken. Als ze mensen wilden helpen die niet op de rechte wegen van het fatsoen liepen, moesten ze zelf die wegen van fatsoen durven in vraag stellen. Zo konden ze last krijgen van degenen die alle heil in de rechte wegen zien. Alleen mensen, die de zekerheden van zichzelf en van de traditie durven bevragen, zijn in staat God, zoals hij in onze levens onopvallend maar reëel optreedt, te herkennen en hem echt te appreciëren.

Maar om die niet ongevaarlijke situatie te kunnen dragen, moesten ze hun kleren hebben gewassen in het bloed van het Lam. De oudste bedoelt natuurlijk niet dat zulke mensen hun kleren van stof in het lichamelijk bloed van Jezus moeten wassen. Dat wassen van de kleren is een symbool voor het geestelijk onderdompelen van het eigen hart in de levenshouding van Jezus, het Lam, die zijn bloed gaf voor de mensen. We moeten uit de geestelijke kracht van Jezus en zijn God durven leven. We moeten leren uit hun liefde te leven.

Vraagt Jezus nu dat ook wij aan het kruis zouden eindigen? Neen, als we volgens de zaligsprekingen uit het evangelie proberen te leven, zullen we reeds voldoende in de verdrukking komen, om onze harten te willen laten wassen in de liefde van Jezus en zijn God. Die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die barmhartig zijn, die vrede brengen, die worden beschimpt, vervolgd, en lasterlijk van allerlei kwaad beticht omwille van Jezus’ naam, zijn de mensen die God in hun hart kunnen ervaren. In de kracht die ze krijgen om zo te leven, kunnen ze Gods kracht aan den lijve ervaren.

Om echt tot het Volk van God te behoren, hoeven we niet de leer en de geboden en verboden van de kerk tot in de puntjes te kennen en scrupuleus te onderhouden. Want die zijn vaak hard en niet soepel genoeg. Inspelen op de noden en diepe verlangens van de concreet levende mensen, bv. onze kinderen en kleinkinderen, die op ons een beroep doen: dat is het wat God en Jezus van ons verwachten. Leven we zo, dan mogen we tot de mensen in witte gewaden behoren. Dan mogen we God en Jezus uit de grond van ons hart loven en danken, om hun goedheid en liefde. Want ook zij weten veel te verduren, ook zij weten wat verdrukking is, omwille van hun goedheid..

Jaak Vandenbulkcke o.p. 

 
   Terug