| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 30 oktober - eenendertigste zondag |
|
|
Lezingen:
Apocalyps 7,2-4.9-14
|
||
|
Vrienden,
We hoorden in de eerste lezing het visioen van de
schare in witte gewaden vóòr de troon van God, die hem loven en danken.
Wat mij intrigeert is, wie er wel tot die schare van God lovenden mogen en
kunnen behoren. Ik vermoed dat het mensen moeten zijn, die God zelf in hun
hart echt hebben ervaren, en daar gelukkig en dankbaar kunnen om zijn. Wij
moeten de goedheid en de stille kracht van God in ons leven en in het
leven van de mensen om ons heen leren ervaren. We moeten hem in die
goedheid en stille kracht zoeken, gelovend dat hij daar is te
vinden.
Waarom vermoed ik dat? Omdat een van de oudsten die
rond de hemelse troon van God staan, aan de schrijver van het visioen
vraagt: ‘wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ De
ziener van het visioen antwoordt: ‘U weet dat zelf, heer’. De ziener,
een mens zoals wij allen, kan dat niet weten. Daarom wacht de oudste uit
de hemel niet op het antwoord, en geeft dat antwoord zelf: ‘Dat zijn
degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun
kleren wit gewassen met het bloed van het Lam.’
Degenen die God mogen en kunnen loven, uit de grond van
hun hart, zijn zij die komen uit de grote verschrikkingen en hun gewaden
hebben witgewassen in het bloed van het Lam. Willen we God in de juiste
gesteltenis kunnen danken en loven, dan moeten we uit de grote verdrukking
komen. Het moeten mensen zijn die hun leven op het spel hebben gezet. Ze
moeten het ‘leven-in-vragenloze-zekerheden’ hebben verlaten. Ze moeten
van de al te rechte wegen hebben durven afwijken. Als ze mensen wilden
helpen die niet op de rechte wegen van het fatsoen liepen, moesten ze zelf
die wegen van fatsoen durven in vraag stellen. Zo konden ze last krijgen
van degenen die alle heil in de rechte wegen zien. Alleen mensen, die de
zekerheden van zichzelf en van de traditie durven bevragen, zijn in staat
God, zoals hij in onze levens onopvallend maar reëel optreedt, te
herkennen en hem echt te appreciëren.
Maar om die niet ongevaarlijke situatie te kunnen
dragen, moesten ze hun kleren hebben gewassen in het bloed van het Lam. De
oudste bedoelt natuurlijk niet dat zulke mensen hun kleren van stof in het
lichamelijk bloed van Jezus moeten wassen. Dat wassen van de kleren is een
symbool voor het geestelijk onderdompelen van het eigen hart in de
levenshouding van Jezus, het Lam, die zijn bloed gaf voor de mensen. We
moeten uit de geestelijke kracht van Jezus en zijn God durven leven. We
moeten leren uit hun liefde te leven.
Vraagt Jezus nu dat ook wij aan het kruis zouden
eindigen? Neen, als we volgens de zaligsprekingen uit het evangelie
proberen te leven, zullen we reeds voldoende in de verdrukking komen, om
onze harten te willen laten wassen in de liefde van Jezus en zijn God. Die
hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die barmhartig zijn, die vrede
brengen, die worden beschimpt, vervolgd, en lasterlijk van allerlei kwaad
beticht omwille van Jezus’ naam, zijn de mensen die God in hun hart
kunnen ervaren. In de kracht die ze krijgen om zo te leven, kunnen ze Gods
kracht aan den lijve ervaren.
Om echt tot het Volk van God te behoren, hoeven we niet
de leer en de geboden en verboden van de kerk tot in de puntjes te kennen
en scrupuleus te onderhouden. Want die zijn vaak hard en niet soepel
genoeg. Inspelen op de noden en diepe verlangens van de concreet levende
mensen, bv. onze kinderen en kleinkinderen, die op ons een beroep doen:
dat is het wat God en Jezus van ons verwachten. Leven we zo, dan mogen we
tot de mensen in witte gewaden behoren. Dan mogen we God en Jezus uit de
grond van ons hart loven en danken, om hun goedheid en liefde. Want ook
zij weten veel te verduren, ook zij weten wat verdrukking is, omwille van
hun goedheid..
Jaak Vandenbulkcke o.p.
|
| |