| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 2 januari 2011 - Openbaring |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede Vrienden, Op onze eerste zondagsbijeenkomst van het jaar 2011 wil ik U vooreerst namens heel onze kloostergemeenschap een zalig en gelukkig nieuwjaar toewensen. In mijn nieuwjaars-correspondentie zinspeelde ik dit jaar meestal op het woord 'Emmanuel', wensende dat alle dagen van het nieuwe jaar ons de ervaring van die Emmanuel moge brengen, want Emmanuel betekent 'God met ons'. En als God met ons ons, wie of wat zal dan tégen zijn? Het besef van de Emmanuel is eigenlijk ook de thematiek van het feest dat wij vandaag vieren. Het kleine kind dat te Betlehem onder ons is komen wonen, is God! De ster uit het Oosten openbaarde het aan de wijzen, omdat zij oog hadden voor het wonder, omdat zij hun hart openstelden voor een boodschap die van elders, die van uit den hoge kwam. En ze gingen op weg. Eerst zochten zij nog het nieuwe gebeuren in de hoofdstad Jeruzalem, maar daar worden zij doorverwezen naar 'Betlehem. God wil immers niet in een paleis komen wonen, maar afdalen in ons midden, Hij wil één der onzen zijn. Maar Hij wil ook de voorspelling waarmaken dat een nazaat van David het volk zou 'redden. En dan herinneren wij ons misschien hoe het kwam dat David daar door de profeet Samuel tot koning werd gezalfd. Samuel werd gezonden naar het huis van Isaï, staat er in de Schrift, en toen hij daar de oudste zoon, Eliab, zag staan, een heel flinke man, meende hij die te moeten zalven. Maar God zei hem: "Neen die is het niet. Een mens kijkt naar het uiterlijke, maar Jahwe kijkt naar het hart." En ook de zeven andere zonen van Isaï, die men aan Samuel voorstelde, genoten Gods gunst niet. Tenslotte moest men wel de jongste oproepen, en dat was 'David. Die was de schapen en de geiten aan het hoeden. Die werd de herder die Jahwe voor zijn volk moest hebben. Zo vieren wij nu ook vandaag dat de ster waarin de wijzen de komst van een groot koning aflazen bleef stille staan, niet boven het koninklijk paleis te Jeruzalem, maar boven een schamele kribbe: God wilde afdalen onder ons, gewone mensen, en onder ons zou Hij werken aan ons heil, ja, aan het heil van alle mensen, zonder onderscheid. Daarom schreef Paulus zo nadrukkelijk dat, verder dan de visie van Jesaja die we in de eerste lezing hoorden, Jezus zijn verlossingswerk opentrok naar de zogenaamde heidenen. Hem was het immers niet te doen om 'een rijk van deze wereld', maar om een hogere heils-gemeenschap. Maar er is het geloof en de openheid
van de magiërs nodig om in dat kind, en later in die gewone medemens die
Jezus was, God aan het werk te zien. Want ook dit jaar moeten wij God niet gaan zoeken in verschijningen en wondere gebeurtenissen. En al zullen wij Hem mogen danken voor de gelukkige dagen die Hij ons ook in 2011 zal geven, en die ik U allen van harte toewens, toch zullen wij Hem misschien nog meer nodig hebben in dagen van lijden of 'verdriet. Als wij in Hem geloven zullen wij echter ook dan ervaren dat Hij dicht bij ons leeft, dat Hij werkelijk de God-met-ons is en ons de hoopvolle moed geeft om te volharden in onze reisweg naar het 'eeuwig geluk. Maar misschien vraagt Hij wel aan ons, de mensen te zijn door wier mond en handelingen Hij onze medemensen in nood wil nabij 'zijn. Misschien moeten en mogen wij zèlf belichaming zijn van de Emmanuel, zoals Jezus het was die toch wilde dat wij zijn werk zouden 'voortzetten. Goede Vrienden, ik geloof dat, als wij dat mogen en kunnen, onze vreugde volkomen wordt en wij dan voor onszelf en anderen een echt "zalig en gelukkig" nieuwjaar 'uitbouwen. De magiërs vroegen: "waar is de pasgeboren koning der 'Joden?" Wij antwoorden met Johannes de Doper: "Hij leeft midden onder ons'"; Hij wil zelfs ìn ons 'leven. Kijken wij dus gelovig en hoopvol uit naar het verlossingwerk dat Hij voor en met ons in dit nieuwe jaar wil realiseren en wensen wij 'elkander in die zin een vruchtbaar 2011 toe. Joris Backeljauw o.p. |
| |