| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 14 juni - elfde zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede vrienden, De eerste lezing van Ezechiël heeft nood aan een beetje
‘mise en scène’: tegen de achtergrond daarvan grijpt de tekst ons nog
dieper naar het hart. Een sjofele figuur op een toneel met een heel
weelderig decor maakt de acteur nog meer sjofel. En ook omgekeerd. Het
waren ten tijde van Ezechiël barre tijden voor de joodse gelovigen: grote
groepen van de bevolking waren gedeporteerd naar het verre Babylon en van
eigen haard en land weggejaagd. De vraag brandde toen op ieders lippen of
het Israël van toen nog wel een toekomst had. Zonder veel moeite kan men
dergelijk miserieverhaal in een hedendaagse vorm gieten en spreken van
Darfour en van Afrikaanse stammen die weggeteerd zijn door het Hiv-virus.
Of van mensen die een paar jaar na de overstromingen in New Orleans nog
steeds in gammele nauwelijks herbouwde huisjes wonen (en dat in een
schitterdecor dat de ‘Verenigde Staten’ heet). Enzovoort. Ezechiël was in
die tijd de meetrekkende ‘lijder’ met dat verpauperd volk (inderdaad met
een lange 'ij'). Bovendien had hij kort voor de val van Jeruzalem zijn
vrouw verloren en had hij de vernieling van de tempel meegemaakt En dan gebeurt bij
Israël dat ongelooflijke: iemand die heet ‘God is mijn sterkte’ (want dat
betekent de naam Ezechiël) zegt met een prachtig beeld aan zijn lotgenoten
toe, dat de toekomst niet zo somber is als de barre tijd die ze dan
beleven wel zou doen vermoeden. Een teken van onverstoorbare onwerkelijk
lijkende hoop. Door Jahwe zelf geïnspireerd en door de profeet als
heilstoezegging en leven opgezogen. Ik kan me inbeelden dat velen hem
toentertijd met meewarigheid aanhoord hebben en hem meer realisme
toewensten. Maar de anderen moeten zich opgetrokken hebben aan die
goddelijke hoop waarvan Ezechiël zelf leefde en die hij uitstraalde. Vraag
naar ons toe is maar of wij, nu, modernen, bij alle onzekerheid en
eventuele angst die er leeft, het kleine 'meisje Hoop' van Charles Péguy,
in ons midden bij de hand houden. Christelijke Hoop heeft een onwezenlijke
werkelijkheid: ze lijkt een hersenschim als men de omgeving beziet en
tegelijk een onsterfelijk iets als men in eigen hart kijkt en ze daar
durft ontdekken als gave Gods. De evangelielezing omschrijft in twee parabelen de groeikracht van de Hoop. De boer zaait overdag en gaat dan rusten. Hij geeft de indruk zich verder wél te bekommeren over zijn zaaigoed want hij stelt zich de vraag: 'Hoe komt het dan toch dat die zaden zomaar kiemen en donkere grond groen kleuren met hun lentefrisheid?' In de tekst staat het met de woorden: "het zaad schiet op maar hij weet niet hoe". Zo gaat het met het Rijk Gods: we mogen hopen, zoals Ezechiël, dat achter de mist van de tijd, door Gods lieve kracht een meer menselijke wereld zal groeien. Wij zijn op dat gebied als de boer ‘die niet weet hoe’ maar ooit verrukt toekijkt en oogst wat hij zelf niet heeft doen groeien. Wie weet: misschien oogsten wij zelf ook niet iets dat wijzelf niet hebben laten groeien: iets in de aard van intense vriendschap, vreugde, dankbaarheid, barmhartige vergiffenis…Terwijl we nauwelijks wisten dat we die gezaaid hebben en ze toch onverwacht gratis terugkregen, volgroeid. Misschien hebben we ons tomeloos ingezet voor anderen, vertwijfelden, angstigen en suicidalen zonder dat we onmiddellijk succes zagen. Tot we plotseling iemand weerzagen die open gebloeid was. De parabel van het mostaardzaadje is als een archetypisch verhaal in ons geheugen blijven hangen. Vanuit een onooglijk iets groeit een grote boom. Na Jezus’ dood was er dat eerste groepje bange cenakelleerlingen dat zeker nooit beseft heeft dat ze tot een grote groep rond Jezus zouden uitgroeien. Ze hebben zeker geen Vaticaanse gebouwen gedroomd maar wellicht het zichtbaar worden, overal van Gods barmhartigheid doorheen mensenhanden. Uit kleine dingen kan iets groot groeien: dat mogen we met zekerheid hopen. Zijn ouders zullen het hun pasgeboren uk wellicht niet aangegeven hebben dat hij ooit als Vlaams premier uit de legstukken van een verkiezing een regering in mekaar zou kunnen puzzelen (hopen we toch!) In elk geval: de parabel van het mostaardzaadje spreekt voor zichzelf: de kracht van de Heer doet uit het nietigste het overgrote open bloeien. Ik kan me inbeelden dat we in deze kerktijd toch met grote vragen zitten: je hebt de indruk dat het kerk-zijn zienderogen achteruit gaat en misschien zijn we geneigd om een omgekeerde parabel te vertellen: over een grote boom die ineen schrompelt tot een bijna nietig iets. Aan zijn Europees westelijke flanken dan toch. Gelukkig zou zo’n parabel enkel menselijk literair werk zijn en zal hij weinig aanspreken omdat we er geloof, liefde en die onverstaanbare hoop in missen. Zou het voor ons geen opdracht zijn te speuren naar de kleine zaadjes die overal op bloei liggen wachten? En wellicht al opgeschoten zijn maar nog niet voldoende groot zodat we het verschil tussen onkruid en de deugdelijke plantjes nog te weinig zien. Ik hoop dat ik de zin van het evangelie mag herhalen voor mezelf: ‘Hij verkondigde zijn leer op de wijze die ze konden verstaan’. Hopelijk hebben we elkaar verstaan. En we bidden dat de ent mag groeien, het zaad mag opschieten en het mosterdzaadje in ons gelovig hart niet wegkwijnt. Amen. A. Vaganée o.p. |
| |