Dominicanen Leuven Zondagspreken
  14 juni - elfde zondag Afdrukken
 

Lezingen:


Ezechiël 17,22-240
Marcus 4,26-34

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


De kracht van de hoop


Goede vrienden,

De eerste lezing van Ezechiël heeft nood aan een beetje ‘mise en scène’: tegen de achtergrond daarvan grijpt de tekst ons nog dieper naar het hart. Een sjofele figuur op een toneel met een heel weelderig decor maakt de acteur nog meer sjofel. En ook omgekeerd. Het waren ten tijde van Ezechiël barre tijden voor de joodse gelovigen: grote groepen van de bevolking waren gedeporteerd naar het verre Babylon en van eigen haard en land weggejaagd. De vraag brandde toen op ieders lippen of het Israël van toen nog wel een toekomst had. Zonder veel moeite kan men dergelijk miserieverhaal in een hedendaagse vorm gieten en spreken van Darfour en van Afrikaanse stammen die weggeteerd zijn door het Hiv-virus. Of van mensen die een paar jaar na de overstromingen in New Orleans nog steeds in gammele nauwelijks herbouwde huisjes wonen (en dat in een schitterdecor dat de ‘Verenigde Staten’ heet). Enzovoort. Ezechiël was in die tijd de meetrekkende ‘lijder’ met dat verpauperd volk (inderdaad met een lange 'ij'). Bovendien had hij kort voor de val van Jeruzalem zijn vrouw verloren en had hij de vernieling van de tempel meegemaakt

En dan gebeurt bij Israël dat ongelooflijke: iemand die heet ‘God is mijn sterkte’ (want dat betekent de naam Ezechiël) zegt met een prachtig beeld aan zijn lotgenoten toe, dat de toekomst niet zo somber is als de barre tijd die ze dan beleven wel zou doen vermoeden. Een teken van onverstoorbare onwerkelijk lijkende hoop. Door Jahwe zelf geïnspireerd en door de profeet als heilstoezegging en leven opgezogen. Ik kan me inbeelden dat velen hem toentertijd met meewarigheid aanhoord hebben en hem meer realisme toewensten. Maar de anderen moeten zich opgetrokken hebben aan die goddelijke hoop waarvan Ezechiël zelf leefde en die hij uitstraalde. Vraag naar ons toe is maar of wij, nu, modernen, bij alle onzekerheid en eventuele angst die er leeft, het kleine 'meisje Hoop' van Charles Péguy, in ons midden bij de hand houden. Christelijke Hoop heeft een onwezenlijke werkelijkheid: ze lijkt een hersenschim als men de omgeving beziet en tegelijk een onsterfelijk iets als men in eigen hart kijkt en ze daar durft ontdekken als gave Gods.
Het is immers God, Jahwe, die alles bloei en wasdom zal geven. En daarom is onze hoop nooit kapot te krijgen. Daarom kon Dietrich Bonhoeffer toen hij zijn dood tegemoet ging, in kracht van die goddelijke Hoop, toch nog zeggen: "Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost….". Zijn er dan voor christenen geen dagen waar men zich, ondanks alle christelijke hoop, slechts doorheen sleept omdat alles zo in de nevel ligt en wij de moed niet hebben om met John Henry Newman te bidden: "Heer, geef mij de kracht voor één stap: dat is genoeg"? Ikzelf althans ken zo’n dagen maar al te goed maar dan is er dat onverwachte "zien, soms even" waarvan Oosterhuis spreekt. Wellicht zijn we op dat gebied hier allemaal samen heel nauwe familie.

De evangelielezing omschrijft in twee parabelen de groeikracht van de Hoop. De boer zaait overdag en gaat dan rusten. Hij geeft de indruk zich verder wél te bekommeren over zijn zaaigoed want hij stelt zich de vraag: 'Hoe komt het dan toch dat die zaden zomaar kiemen en donkere grond groen kleuren met hun lentefrisheid?' In de tekst staat het met de woorden: "het zaad schiet op maar hij weet niet hoe". Zo gaat het met het Rijk Gods: we mogen hopen, zoals Ezechiël, dat achter de mist van de tijd, door Gods lieve kracht een meer menselijke wereld zal groeien. Wij zijn op dat gebied als de boer ‘die niet weet hoe’ maar ooit verrukt toekijkt en oogst wat hij zelf niet heeft doen groeien. Wie weet: misschien oogsten wij zelf ook niet iets dat wijzelf niet hebben laten groeien: iets in de aard van intense vriendschap, vreugde, dankbaarheid, barmhartige vergiffenis…Terwijl we nauwelijks wisten dat we die gezaaid hebben en ze toch onverwacht gratis terugkregen, volgroeid. Misschien hebben we ons tomeloos ingezet voor anderen, vertwijfelden, angstigen en suicidalen zonder dat we onmiddellijk succes zagen. Tot we plotseling iemand weerzagen die open gebloeid was.

De parabel van het mostaardzaadje is als een archetypisch verhaal in ons geheugen blijven hangen. Vanuit een onooglijk iets groeit een grote boom. Na Jezus’ dood was er dat eerste groepje bange cenakelleerlingen dat zeker nooit beseft heeft dat ze tot een grote groep rond Jezus zouden uitgroeien. Ze hebben zeker geen Vaticaanse gebouwen gedroomd maar wellicht het zichtbaar worden, overal van Gods barmhartigheid doorheen mensenhanden. Uit kleine dingen kan iets groot groeien: dat mogen we met zekerheid hopen. Zijn ouders zullen het hun pasgeboren uk wellicht niet aangegeven hebben dat hij ooit als Vlaams premier uit de legstukken van een verkiezing een regering in mekaar zou kunnen puzzelen (hopen we toch!) In elk geval: de parabel van het mostaardzaadje spreekt voor zichzelf: de kracht van de Heer doet uit het nietigste het overgrote open bloeien.

Ik kan me inbeelden dat we in deze kerktijd toch met grote vragen zitten: je hebt de indruk dat het kerk-zijn zienderogen achteruit gaat en misschien zijn we geneigd om een omgekeerde parabel te vertellen: over een grote boom die ineen schrompelt tot een bijna nietig iets. Aan zijn Europees westelijke flanken dan toch. Gelukkig zou zo’n parabel enkel menselijk literair werk zijn en zal hij weinig aanspreken omdat we er geloof, liefde en die onverstaanbare hoop in missen. Zou het voor ons geen opdracht zijn te speuren naar de kleine zaadjes die overal op bloei liggen wachten? En wellicht al opgeschoten zijn maar nog niet voldoende groot zodat we het verschil tussen onkruid en de deugdelijke plantjes nog te weinig zien.

Ik hoop dat ik de zin van het evangelie mag herhalen voor mezelf: ‘Hij verkondigde zijn leer op de wijze die ze konden verstaan’. Hopelijk hebben we elkaar verstaan. En we bidden dat de ent mag groeien, het zaad mag opschieten en het mosterdzaadje in ons gelovig hart niet wegkwijnt. Amen.

A. Vaganée o.p.

 
   Terug