Dominicanen Leuven Zondagspreken
  2 augustus - achttiende zondag Afdrukken
 

Lezingen:

Exodus 16,2-4.12-15
Johannes 6,24-35

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Brood uit de hemel


In het evangelie van vandaag wordt Jezus brood uit de hemel genoemd, brood dat leven geeft aan de wereld. Hij is niet brood uit de hemel zoals de kwartels die boven het kamp van de Israëlieten neerstreken, en niet zoals de dauw uit de hemel die een fijnkorrelige laag vormde, uit de eerste lezing. Kwartels en dauw gaven maar leven voor één dag. Bovendien zegt Jezus, dat we niet moeten werken voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven. Jezus als brood uit de hemel is geen aards brood, maar een geestelijke kracht om het menselijk leven in al zijn moeilijkheden en mogelijkheden aan te kunnen, en dat de mens geestelijk in het leven van God zal opnemen. Door Jezus zal de mens leven met de liefdekracht van God. Liefde is kracht en God is liefde.

Dat het wel degelijk gaat om leven van het menselijke hart wordt duidelijk, als we horen wat de mensen aan Jezus vragen: welke werken moeten wij voor God verrichten. Op die vraag antwoordt Jezus: Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in degene, die hij gezonden heeft. De eucharistie is in de eerste plaats een zaak van geloven. We moeten hier geloof eten. We moeten geloof vragen in het feit dat wij, met Gods hulp, zoals Jezus het leven van God kunnen leven.

Jezus is als mens een voorbeeld voor ons. Maar niet een voorbeeld waarvan we maar gewoon een doorslag moeten maken, om te zijn zoals hij was. We moeten ons door de geest van Jezus laten inspireren, een geest die telkens weer nieuwheid brengt. Jezus leefde tweeduizend jaar geleden, wij leven nu in een heel andere wereld. Maar we kunnen ons wel door de geest van Jezus laten doordringen: een geest van mildheid en zorg voor wie minder mogelijkheden van het leven hebben meegekregen. Van die geest van Jezus kunnen we ons het best laten doordringen in ons gebed, en in het vieren van de eucharistie. Ons stil laten doordringen van wie God is, en van wie Jezus is, is de beste weg, om op God en op Jezus te gaan gelijken. Maar dat vraagt geloof.

Ook in ons dagelijks aardse leven worden we wellicht het sterkst door onze ouders, broers en zussen, en onze vrienden getekend, door gewoon het leven met hen te delen. Zij hoeven ons niet uitdrukkelijk te onderrichten over het goede leven. Het is voldoende dat wij ons niet verzetten tegen de invloed die van hun leven op ons overgaat. Door met hen samen te leven, zullen we hun trekken onbewust overerven. Dat is ons geestelijk voedsel.

De Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec heeft over de heilige eucharistie mooi gezegd, dat niet wij het zijn die in de eucharistie naar Jezus toegaan, maar dat het integendeel Jezus is die op ons toekomt. Jezus heeft zo’n nood aan de liefde van de mensen, dat Ruusbroec Jezus een begerige ‘slockaard’ (slokkerd) noemde. God en Jezus houden zozeer van ons, dat zij ons in de eucharistie met aandrang komen opzoeken met hun eigen aangeboden liefde. De Duitse mysticus Eckhart durft zelfs te zeggen, dat God verzot is op de ziel van de mens.

Uit deze ‘zotte’ liefde van God mogen we leven. Maar we moeten ons dan wel laten doen door die liefde van God. We moeten durven onszelf loslaten, en nieuwe wegen gaan. Maar het nieuwe schrikt ons dikwijls af. Toch moeten we geen schrik hebben, dat we dat niet zullen aankunnen. Want het is de verliefdheid van God, die ons meetrekt. Kunnen leven uit de verliefdheid van wie ons liefheeft, heft ons boven onszelf uit. Jezus zegt dan ook vandaag: Ik ben het brood des levens. Wie tot mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.

Het brood dat Jezus voor ons is, is geen aards brood. Het is een geestelijk brood van kracht tot geestelijk leven. In zijn levensvoorbeeld is Jezus voor ons de menselijke vertaling van Gods liefde voor ons. Als we op die liefde durven ingaan zullen we nieuwe en ongehoorde dingen kunnen doen: daden van goedheid, waartoe we ons zelf niet in staat achtten. Gaan wij naar God en Jezus toe, die reeds op ons toekomen. Die ons reeds beminnen.

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug