| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 2 augustus - achttiende zondag |
|
|
Lezingen:
Exodus 16,2-4.12-15
|
|||
|
Brood uit de
hemel In het evangelie van vandaag wordt Jezus brood uit de
hemel genoemd, brood dat leven geeft aan de wereld. Hij is niet brood
uit de hemel zoals de kwartels die boven het kamp van de Israëlieten
neerstreken, en niet zoals de dauw uit de hemel die een fijnkorrelige
laag vormde, uit de eerste lezing. Kwartels en dauw gaven maar leven
voor één dag. Bovendien zegt Jezus, dat we niet moeten werken voor het
voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven.
Jezus als brood uit de hemel is geen aards brood, maar een
geestelijke kracht om het menselijk leven in al zijn moeilijkheden
en mogelijkheden aan te kunnen, en dat de mens geestelijk in het leven
van God zal opnemen. Door Jezus zal de mens leven met de
liefdekracht van God. Liefde is kracht en God is liefde.
Dat het wel degelijk gaat om leven van het menselijke
hart wordt duidelijk, als we horen wat de mensen aan Jezus vragen:
welke werken moeten wij voor God verrichten. Op die vraag antwoordt
Jezus: Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in degene,
die hij gezonden heeft. De eucharistie is in de eerste plaats een zaak
van geloven. We moeten hier geloof eten. We moeten geloof vragen
in het feit dat wij, met Gods hulp, zoals Jezus het leven van God kunnen
leven.
Jezus is als mens een voorbeeld voor ons. Maar niet
een voorbeeld waarvan we maar gewoon een doorslag moeten maken, om te
zijn zoals hij was. We moeten ons door de geest van Jezus laten
inspireren, een geest die telkens weer nieuwheid brengt. Jezus leefde
tweeduizend jaar geleden, wij leven nu in een heel andere wereld. Maar
we kunnen ons wel door de geest van Jezus laten doordringen: een
geest van mildheid en zorg voor wie minder mogelijkheden van het leven
hebben meegekregen. Van die geest van Jezus kunnen we ons het best laten
doordringen in ons gebed, en in het vieren van de eucharistie. Ons stil
laten doordringen van wie God is, en van wie Jezus is, is de beste weg,
om op God en op Jezus te gaan gelijken. Maar dat vraagt geloof.
Ook in ons dagelijks aardse leven worden we wellicht
het sterkst door onze ouders, broers en zussen, en onze vrienden
getekend, door gewoon het leven met hen te delen. Zij hoeven ons niet
uitdrukkelijk te onderrichten over het goede leven. Het is voldoende dat
wij ons niet verzetten tegen de invloed die van hun leven op ons
overgaat. Door met hen samen te leven, zullen we hun trekken onbewust
overerven. Dat is ons geestelijk voedsel.
De Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec heeft over de
heilige eucharistie mooi gezegd, dat niet wij het zijn die in de
eucharistie naar Jezus toegaan, maar dat het integendeel Jezus is
die op ons toekomt. Jezus heeft zo’n nood aan de liefde van de
mensen, dat Ruusbroec Jezus een begerige ‘slockaard’ (slokkerd) noemde.
God en Jezus houden zozeer van ons, dat zij ons in de eucharistie met
aandrang komen opzoeken met hun eigen aangeboden liefde. De Duitse
mysticus Eckhart durft zelfs te zeggen, dat God verzot is op de ziel van
de mens.
Uit deze ‘zotte’ liefde van God mogen we leven. Maar
we moeten ons dan wel laten doen door die liefde van God. We moeten
durven onszelf loslaten, en nieuwe wegen gaan. Maar het nieuwe schrikt
ons dikwijls af. Toch moeten we geen schrik hebben, dat we dat niet
zullen aankunnen. Want het is de verliefdheid van God, die ons meetrekt.
Kunnen leven uit de verliefdheid van wie ons liefheeft, heft ons boven
onszelf uit. Jezus zegt dan ook vandaag: Ik ben het brood des levens.
Wie tot mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft, zal
nooit meer dorst krijgen.
Het brood dat Jezus voor ons is, is geen aards brood.
Het is een geestelijk brood van kracht tot geestelijk leven. In
zijn levensvoorbeeld is Jezus voor ons de menselijke vertaling van Gods
liefde voor ons. Als we op die liefde durven ingaan zullen we nieuwe en
ongehoorde dingen kunnen doen: daden van goedheid, waartoe we ons zelf
niet in staat achtten. Gaan wij naar God en Jezus toe, die reeds op ons
toekomen. Die ons reeds beminnen.
Jaak Vandenbulcke o.p.
|
| |