Dominicanen Leuven Zondagspreken
  6 september  - drie-entwintigste zondag Afdrukken
 

Lezingen:

Jesaja 35,4-7
Marcus 7,31-37

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Schep moed


Vrienden,
In de eerste lezing wordt Jahwe, tegenover wie de moed verloren hadden, in de mond gelegd: ‘Schep moed en vrees niet. Uw God komt om u te redden’. En waarin zal die redding bestaan? ‘Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven worden geopend’. Het gaat om weer horen en weer zien. De profeet Jesaja zal wel geestelijke blindheid en doofheid hebben bedoeld. Mensen zijn zo dikwijls geestelijk blind en geestelijk doof, en dat daarom niet uit eigen schuld. Van de andere kant schrijft de Nederlandse protestantse theoloog, Harry Kuitert, over de God in wie wij geloven, omdat we hem in ons leven ervaren en dus omgang met hem hebben: God is een oor dat luistert en een oog dat ziet. Soms zijn we blind en doof, omdat het leed, dat wij in ons eigen leven en in dat van de mensen rondom ons zien, zo groot is dat we er geen gat meer in zien, en omdat het lawaai van de opvattingen en de slogans zo oorverdovend is, dat we de stilte niet meer kunnen horen. In zo’n situatie hangt ons leven als een molensteen aan onze hals.
Maar juist in zo’n situatie kunnen we ondanks alles stil weet hebben dat er Iemand is die onze ellende ziet, en onze niet verwoordbare vraag om medeleven hoort. We zullen weer de moed tot horen en zien krijgen, omdat we merken dat God liefderijk naar ons kijkt en luistert. Vermoeden dat iemand de molensteen rond onze hals meedraagt, maakt die molensteen niet minder zwaar, maar maakt hem toch draaglijker. Dat vermoeden geeft ons meer innerlijke kracht tot dragen. Tot onze verwondering worden we niet verpletterd.

Nu kan het zelfs zo zijn dat de last die rond onze hals hangt zo groot is, dat wij ons in eerste instantie totaal verlaten voelen, ook van God. Maar dan kan het nog zijn, dat we toch in ons - tegen onszelf in - een kracht voelen om te blijven hopen dat God zal helpen, al weten we niet hoe. God laat zich dan ervaren in de honger in ons naar zijn hulp. Iemand die nog honger heeft naar hulp, is iemand die nog leeft, die nog niet alles heeft opgegeven. Misschien is dit een uitgesproken religieuze vorm van het ‘hoop doet leven’. Zoals de hoop kracht krijgt uit het mee-dragen van iemand anders, zo komt de honger naar hulp van een ander niet door onszelf, maar door iemand die ons niet verlaat, zelfs als iedereen ons verlaat. We kunnen zien dat de situatie niet zonder uitweg is.

God kan zich bovendien in moeilijke situaties juist laten ervaren in het weten dat we geen spectaculaire hulp nodig hebben. Dat er geen spectaculaire hulp komt, is geen teken dat God er niet is, in onze benarde situatie. We weten dan dat we geduld kunnen leren. We vermoeden zelfs dat we met God mogen meelijden. God lijdt met ons mee uit liefde voor ons, zoals een minnaar met zijn geliefde. God staat niet boven het lijden. Ook God is geduldig. Zo kunnen we ervaren dat we God kunnen beminnen niet omwille van zijn spectaculaire gaven, maar om wie hij in zichzelf is: een liefdevol iemand. Een liefdevol iemand mogen ontmoeten - hij moet nog niets doen! – is voor ons een deugddoende kracht. We kunnen wel zonder de gaven van God, maar niet zonder God zelf, die bij ons blijft in ons lijden - ook in ons lijden voor anderen.

In dergelijke ervaringen achterhalen we niet met ons verstand hoe het lijden nu eigenlijk in elkaar steekt, ook niet waarom we moeten lijden, of waarom die bepaalde mens zoveel moet lijden, en andere mensen veel minder. Wat we in ons gemoed ervaren aan hoop, honger aan hulp en onverklaarbare aanwezigheid in het lijden, dat ons of anderen overkomt, daar moeten we de aandacht van ons hart op richten. Deze emoties moeten we in ons hart laten binnensijpelen.

Als we God langs het hart leren kennen, zullen we wellicht leren zien dat hij eigenlijk anders is dan men hem ons heeft leren kennen, of dan we hem ons wellicht zelf hebben proberen voor te stellen. We zullen hem leren zien als iemand die met ons meeleeft, en zelfs meelijdt. Hij zal niet een God zijn, die boven ons staat en ons controleert. Hij is niet een God van doden, maar van levenden - van levenden door liefde.

Jaak Vandenbulcke o.p.

6  september 2009

 
   Terug