| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 27 september - zesentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Numeri 11,25-29
|
|||
|
In
Brazilië heb ik Europese inwijkelingen horen zeggen: 'wie niet blank is,
is zwart.' Maar er waren andere die dit omkeerden. 'Wij zijn geen
racisten. Wie niet zwart is, is blank.' In de evangelies lees ik twee
vergelijkbare uitspraken. Volgens Matteüs en Lucas zou Jezus gezegd
hebben: 'wie niet met mij is, is tegen mij.' In het Marcusevangelie dat
we vandaag lezen staat er: 'wie niet tegen ons is, is met ons.' Een
uitspraak om diep over na te denken en er de passende lessen uit te
trekken.
Jezus' leerlingen waren er niet in geslaagd een
jongen te verlossen van een boze geest waardoor hij bezeten was. En nu
zagen ze iemand die niet tot hun groep behoorde, een vreemde, met goed
gevolg demonen uitdrijven. Ze vonden dat hij dat recht niet had.
Johannes deed zijn beklag bij Jezus. Maar Jezus zag geen enkele reden om
die man te beletten zijn goed werk te doen. Hij doet niets tegen ons,
zei hij, laat hem begaan. Wij zijn geen sekte. Gaven van God moet
niemand voor zichzelf te willen claimen. Het gaat erom dat we elkaars
dienaar zijn, al was het maar door een kind in de armen te nemen.
Iets van dezelfde aard wordt verteld in de lezing uit
het boek Numeri. Mozes kreeg van God 70 helpers, met profetische gaven.
Twee mannen die in het kamp waren gebleven begonnen nu ook profetische
uitspraken te doen. Onmiddellijk protest. Jozua, die moest instaan voor
orde en discipline bij het volk, oordeelde dat die twee mannen tot de
orde moesten worden geroepen. Ze behoorden niet tot de zeventig. Maar
Mozes wilde daar niet van weten. Ach, zei hij, was iedereen maar profeet!
Dit zijn twee verhalen uit verre eeuwen. We zijn nu
veel eeuwen verder, maar is er veel veranderd? We zijn als christenen allemaal gedoopt en gevormd.
Daarbij ontvingen we de heilige Geest, dat is ons toch altijd gezegd.
Maar als we dan als 'geestdriftige christenen' in alle openhartigheid
willen spreken, wordt ons al gauw gevraagd te zwijgen, want we hebben
geen recht van spreken, we hebben de plicht om te luisteren. Luid wordt
er verkondigd dat we inspraak krijgen en hebben. Maar wat houdt dit in
feite in? Instemmen met wat ons van hogerhand wordt meegedeeld? Men
behoort immers niet tot het kader, tot de aangestelde groep.
Voortdurend ontmoeten we overtuigde, dynamische en
enthousiaste christenen, die met veel zin voor verantwoordelijkheid de
kerk van Jezus, de verrezen Christus, mee willen dragen en vorm geven in
deze tijd. Ze staan in het gewone beroepsleven en hebben meestal een
gezin. Toch engageren ze zich in parochieliturgie, ze begeleiden zieke
en oudere mensen, ze staan in voor de doopsel- en vormselcatechese. Ze
willen hun medemensen laten delen in de blijde boodschap waarvan ze zelf
leven. Ze willen de taak van de priesters verlichten en mee ondersteunen.
Maar als puntje bij paaltje komt, moet er toch een kerkelijke
official bij te pas komen om de blijde boodschap te verkondigen,
voor te gaan in de viering, namens Jezus een zieke te zalven, enz. Al de
anderen behoren niet tot de eigenlijke groep die namens God mogen
spreken en optreden.
En worden wij, christenen, soms ook niet in
verlegenheid gebracht doordat anderen, mensen van buiten de kerk,
dezelfde werken van barmhartigheid doen als wij, en soms misschien wel
veel beter? We hebben het er wel eens moeilijk mee om dat te erkennen
als een werkelijke bijdrage tot de komst van het God koninkrijk. Toch is
het zo dat allen die, gelovig of niet, vechten voor gerechtigheid, vrede,
solidariteit de demonen van geweld, haat en onderdrukking mee helpen
uitdrijven.
Eigenlijk zouden we om dat alles blij moeten zijn en
dankbaar, en net als Jezus moeten zeggen: 'Wie niet tegen ons is, is
voor ons', of zoals Mozes: 'Ik zou willen dat heel het volk van de Heer
profeet was.'
B.J. De Clercq o.p. |
| |