Dominicanen Leuven Zondagspreken
  27 september  - zesentwintigste zondag Afdrukken
 

Lezingen:

Numeri 11,25-29
Marcus 9,38-48

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Wie niet tegen ons is...


In Brazilië heb ik Europese inwijkelingen horen zeggen: 'wie niet blank is, is zwart.' Maar er waren andere die dit omkeerden. 'Wij zijn geen racisten. Wie niet zwart is, is blank.' In de evangelies lees ik twee vergelijkbare uitspraken. Volgens Matteüs en Lucas zou Jezus gezegd hebben: 'wie niet met mij is, is tegen mij.' In het Marcusevangelie dat we vandaag lezen staat er: 'wie niet tegen ons is, is met ons.' Een uitspraak om diep over na te denken en er de passende lessen uit te trekken.

Jezus' leerlingen waren er niet in geslaagd een jongen te verlossen van een boze geest waardoor hij bezeten was. En nu zagen ze iemand die niet tot hun groep behoorde, een vreemde, met goed gevolg demonen uitdrijven. Ze vonden dat hij dat recht niet had. Johannes deed zijn beklag bij Jezus. Maar Jezus zag geen enkele reden om die man te beletten zijn goed werk te doen. Hij doet niets tegen ons, zei hij, laat hem begaan. Wij zijn geen sekte. Gaven van God moet niemand voor zichzelf te willen claimen. Het gaat erom dat we elkaars dienaar zijn, al was het maar door een kind in de armen te nemen.

Iets van dezelfde aard wordt verteld in de lezing uit het boek Numeri. Mozes kreeg van God 70 helpers, met profetische gaven. Twee mannen die in het kamp waren gebleven begonnen nu ook profetische uitspraken te doen. Onmiddellijk protest. Jozua, die moest instaan voor orde en discipline bij het volk, oordeelde dat die twee mannen tot de orde moesten worden geroepen. Ze behoorden niet tot de zeventig. Maar Mozes wilde daar niet van weten. Ach, zei hij, was iedereen maar profeet!

Dit zijn twee verhalen uit verre eeuwen. We zijn nu veel eeuwen verder, maar is er veel veranderd?
In alle kerkgemeenschappen treffen we nog altijd mensen aan die menen de waarheid in pacht te hebben. Nog altijd worden er regels opgesteld waardoor mensen worden uitgesloten van bepaalde functies en taken binnen elke gemeenschap.

We zijn als christenen allemaal gedoopt en gevormd. Daarbij ontvingen we de heilige Geest, dat is ons toch altijd gezegd. Maar als we dan als 'geestdriftige christenen' in alle openhartigheid willen spreken, wordt ons al gauw gevraagd te zwijgen, want we hebben geen recht van spreken, we hebben de plicht om te luisteren. Luid wordt er verkondigd dat we inspraak krijgen en hebben. Maar wat houdt dit in feite in? Instemmen met wat ons van hogerhand wordt meegedeeld? Men behoort immers niet tot het kader, tot de aangestelde groep.

Voortdurend ontmoeten we overtuigde, dynamische en enthousiaste christenen, die met veel zin voor verantwoordelijkheid de kerk van Jezus, de verrezen Christus, mee willen dragen en vorm geven in deze tijd. Ze staan in het gewone beroepsleven en hebben meestal een gezin. Toch engageren ze zich in parochieliturgie, ze begeleiden zieke en oudere mensen, ze staan in voor de doopsel- en vormselcatechese. Ze willen hun medemensen laten delen in de blijde boodschap waarvan ze zelf leven. Ze willen de taak van de priesters verlichten en mee ondersteunen. Maar als puntje bij paaltje komt, moet er toch een kerkelijke official bij te pas komen om de blijde boodschap te verkondigen, voor te gaan in de viering, namens Jezus een zieke te zalven, enz. Al de anderen behoren niet tot de eigenlijke groep die namens God mogen spreken en optreden.

En worden wij, christenen, soms ook niet in verlegenheid gebracht doordat anderen, mensen van buiten de kerk, dezelfde werken van barmhartigheid doen als wij, en soms misschien wel veel beter? We hebben het er wel eens moeilijk mee om dat te erkennen als een werkelijke bijdrage tot de komst van het God koninkrijk. Toch is het zo dat allen die, gelovig of niet, vechten voor gerechtigheid, vrede, solidariteit de demonen van geweld, haat en onderdrukking mee helpen uitdrijven.

Eigenlijk zouden we om dat alles blij moeten zijn en dankbaar, en net als Jezus moeten zeggen: 'Wie niet tegen ons is, is voor ons', of zoals Mozes: 'Ik zou willen dat heel het volk van de Heer profeet was.'

B.J. De Clercq o.p.

 
   Terug