| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 11 oktober - achtentwintigste zondag |
|
|
Lezingen: Wijsheid
7,7-11
|
|||
|
Goede vrienden,
Het evangelie van vandaag is eigenlijk
een illustratie van wat de Hebreeënbrief ons in de tweede lezing
vertelde, nl. dat het woord van God krachtig is en scherp: het dringt
door tot ons binnenste en ontleedt onze bedoelingen en gedachten.
Immers, de rijke jongeling komt bij de Heer aan. Hij
is een deugdzaam man, en hij wil de volmaaktheid vinden, het eeuwige
leven. "Goede Meester", zegt hij enigszins vleiend, want Jezus
wijst hem erop dat alleen God goed is. En tegenover die God moet Hij
zich rechtvaardigen. De jongeling meent zich te kunnen rechtvaardigen:
alle geboden heeft hij trouw volbracht. Maar hij staat niet los genoeg
voor God, en niet genoeg gericht op zijn medemensen. En dat zal het
woord van Jezus bij hem ontmaskeren, Jezus die hem liefdevol, wij zouden
zeggen uitnodigend, aankijkt en hem doet beseffen hoezeer hij aan zijn
bezit gebonden leeft. Voor de jongeman is die uitnodiging verbijsterend;
het zet zijn hele levenssituatie op zijn kop. En ontdaan gaat hij heen.
Hoe groot is de tegenstelling tussen de houding van
deze jongeling en die van Jozef De Veuster die vandaag te Rome heilig
verklaard wordt. Als het Gods woord is dat ons moet wakker schudden, dat
zijn het heiligen als Damiaan die ons inspireren hoe wij dat woord
moeten beantwoorden. Damiaan volgde de Heer geheel en al in zijn
zelfgave aan de armen. Maar ik wil hier vandaag geen preek over pater
Damiaan houden.
Wel kunnen wij ons bij dit verhaal van het evangelie
en bij de gedachtenis van onze heilige missionaris de vraag stellen, wat
ons te veel vasthoudt om het eeuwig leven te verwerven.
En dat kan zelfs de wil zelf zijn om dat eeuwig leven
te verwerven, zoals bij die jongeling, denk ik. Want als dat een grijpen
is naar eigen volmaaktheid om van onszelf te kunnen zeggen: nu ben ik
er, nu heb ik het helemaal bereikt, dan zal het ons niet gegund worden.
"Geef… en ge zult een schat bezitten in de hemel", zegt
Jezus. M.a.w.: denk nu eens niet eerst aan jezelf, sta niet op je eigen
deugdzaamheid, - alleen God is ten volle goed, maar kijk naar de Heer,
om te doen zoals Hij, om Hem te volgen, en kijk naar de anderen om een
gegeven mens te zijn.
En als ik zeg de anderen: dan denk ik eerst en vooral
aan de geringen, aan degenen die van geen tel zijn, zoals de melaatsen
dat waren in Damiaans tijd en omgeving. Want jawel, het doet ons wat dat
er armoede is op de wereld en wij willen die ook mee helpen wegwerken,
maar willen wij de arme mens zelf nabij zijn, zoals Jezus en Damiaan dat
deden? Zijn wij bereid, zoals Jezus en Damiaan, onze relaties met de
mensen die het voor het zeggen hebben, op de helling te zetten, door
aandacht en tijd te besteden aan mensen waarvoor men de neus ophaalt,
die men misprijst, en die ons zelf ook niet zo aantrekkelijk voorkomen,
die niet aan hun recht komen in de maatschappij?
En ook in ons persoonlijk leven zijn er misschien
mensen waarmee wij niet meer willen praten, of mensen waarvoor wij een
omweg maken om ze niet te zien, zoals de priester en de diaken in het
verhaal van de barmhartige Samaritaan… Er zijn zelfs mensen die gewoon
heel braaf en ongestoord hun eigen leventje leiden: ze doen geen vlieg
kwaad. Doen ze ook nog iemand goed?
De jongeling vroeg naar het eeuwig leven. Wist hij
dan niet dat eeuwigheid maar geboren wordt door het afsterven van het
tijdelijke? Wist hij dan niet dat het gaat om die volle eenheid met God
en de mensen, die wij hier maar kunnen opbouwen door het loslaten van
onze eigen heb- en ikzucht?
Het is niet gemakkelijk, zegt de Heer, om het Rijk
Gods binnen te treden. Maar Hij voegt er onmiddellijk aan toe::
"voor God is alles mogelijk". Het komt er dan ook op aan God
ruimte te geven in ons leven, ons telkens weer af te vragen wat Hij op
dit ogenblik van ons verlangt en in vertrouwensvolle overgave te doen
wat ons geweten ons dan dicteert, ook al treden wij daardoor buiten onze
menselijk vertrouwde zekerheden.
En de vrede, die de Heer zijn volgelingen keer op
keer toezegt, zal dan ook heersen in ons hart. Juist in die vrede leeft
dan immers al het Rijk Gods.
Van harte wens ik U die vrede toe.
Joris Backeljauw o.p
|
| |