Dominicanen Leuven Zondagspreken
  11 oktober  - achtentwintigste zondag Afdrukken
 

Lezingen:

Wijsheid 7,7-11
Hebreeën 4,12-13
Marcus 10,17-30

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


'Kom en volg mij'


Goede vrienden,

Het evangelie van vandaag is eigenlijk een illustratie van wat de Hebreeënbrief ons in de tweede lezing vertelde, nl. dat het woord van God krachtig is en scherp: het dringt door tot ons binnenste en ontleedt onze bedoelingen en gedachten.

Immers, de rijke jongeling komt bij de Heer aan. Hij is een deugdzaam man, en hij wil de volmaaktheid vinden, het eeuwige leven. "Goede Meester", zegt hij enigszins vleiend, want Jezus wijst hem erop dat alleen God goed is. En tegenover die God moet Hij zich rechtvaardigen. De jongeling meent zich te kunnen rechtvaardigen: alle geboden heeft hij trouw volbracht. Maar hij staat niet los genoeg voor God, en niet genoeg gericht op zijn medemensen. En dat zal het woord van Jezus bij hem ontmaskeren, Jezus die hem liefdevol, wij zouden zeggen uitnodigend, aankijkt en hem doet beseffen hoezeer hij aan zijn bezit gebonden leeft. Voor de jongeman is die uitnodiging verbijsterend; het zet zijn hele levenssituatie op zijn kop. En ontdaan gaat hij heen.

Hoe groot is de tegenstelling tussen de houding van deze jongeling en die van Jozef De Veuster die vandaag te Rome heilig verklaard wordt. Als het Gods woord is dat ons moet wakker schudden, dat zijn het heiligen als Damiaan die ons inspireren hoe wij dat woord moeten beantwoorden. Damiaan volgde de Heer geheel en al in zijn zelfgave aan de armen. Maar ik wil hier vandaag geen preek over pater Damiaan houden.

Wel kunnen wij ons bij dit verhaal van het evangelie en bij de gedachtenis van onze heilige missionaris de vraag stellen, wat ons te veel vasthoudt om het eeuwig leven te verwerven.

En dat kan zelfs de wil zelf zijn om dat eeuwig leven te verwerven, zoals bij die jongeling, denk ik. Want als dat een grijpen is naar eigen volmaaktheid om van onszelf te kunnen zeggen: nu ben ik er, nu heb ik het helemaal bereikt, dan zal het ons niet gegund worden. "Geef… en ge zult een schat bezitten in de hemel", zegt Jezus. M.a.w.: denk nu eens niet eerst aan jezelf, sta niet op je eigen deugdzaamheid, - alleen God is ten volle goed, maar kijk naar de Heer, om te doen zoals Hij, om Hem te volgen, en kijk naar de anderen om een gegeven mens te zijn.

En als ik zeg de anderen: dan denk ik eerst en vooral aan de geringen, aan degenen die van geen tel zijn, zoals de melaatsen dat waren in Damiaans tijd en omgeving. Want jawel, het doet ons wat dat er armoede is op de wereld en wij willen die ook mee helpen wegwerken, maar willen wij de arme mens zelf nabij zijn, zoals Jezus en Damiaan dat deden? Zijn wij bereid, zoals Jezus en Damiaan, onze relaties met de mensen die het voor het zeggen hebben, op de helling te zetten, door aandacht en tijd te besteden aan mensen waarvoor men de neus ophaalt, die men misprijst, en die ons zelf ook niet zo aantrekkelijk voorkomen, die niet aan hun recht komen in de maatschappij?

En ook in ons persoonlijk leven zijn er misschien mensen waarmee wij niet meer willen praten, of mensen waarvoor wij een omweg maken om ze niet te zien, zoals de priester en de diaken in het verhaal van de barmhartige Samaritaan… Er zijn zelfs mensen die gewoon heel braaf en ongestoord hun eigen leventje leiden: ze doen geen vlieg kwaad. Doen ze ook nog iemand goed?

De jongeling vroeg naar het eeuwig leven. Wist hij dan niet dat eeuwigheid maar geboren wordt door het afsterven van het tijdelijke? Wist hij dan niet dat het gaat om die volle eenheid met God en de mensen, die wij hier maar kunnen opbouwen door het loslaten van onze eigen heb- en ikzucht?

Het is niet gemakkelijk, zegt de Heer, om het Rijk Gods binnen te treden. Maar Hij voegt er onmiddellijk aan toe:: "voor God is alles mogelijk". Het komt er dan ook op aan God ruimte te geven in ons leven, ons telkens weer af te vragen wat Hij op dit ogenblik van ons verlangt en in vertrouwensvolle overgave te doen wat ons geweten ons dan dicteert, ook al treden wij daardoor buiten onze menselijk vertrouwde zekerheden.

En de vrede, die de Heer zijn volgelingen keer op keer toezegt, zal dan ook heersen in ons hart. Juist in die vrede leeft dan immers al het Rijk Gods.

Van harte wens ik U die vrede toe.

Joris Backeljauw o.p

 
   Terug