| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 8 maart - tweede vastenzondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede Vrienden, De dood is het volledig afsterven van alle menselijke
beperkingen waardoor wij ons ten volle kunnen overleveren aan het echte
leven. En daarop moeten wij ons voorbereiden. Op Witte Donderdag zullen
wij het vieren, en in elke eucharistie gedenken wij het: dat Jezus zich
ziet als een lichaam dat voor ons gegeven is; als een bloed – zeg maar,
een hart – dat voor ons vergoten wordt tot vergeving van de zonden.
Zo moet ook ons geloof in de God van alle leven
gestalte krijgen door een volkomen zelfgave in navolging van Jezus'
voorbeeld. God roept ons niet tot een zelfverheerlijkt leven hier op
aarde, maar tot medewerking in de opbouw van zijn rijk van vrede en
eenheid, dat eens alle mensen van goede wil samenbrengt . En die opbouw
geschiedt niet zonder pijn en moeite, zonder echte 'ver-sterving'.
Die pijn en moeite moeten we zelf niet zoeken als een
losprijs voor onze zonden. Jezus was zondeloos en heeft toch ook lijden en
dood doorstaan?! Eerder moeten wij, zoals Hij, het leed, dat de
onvolkomenheid van ons aards bestaan meebrengt, aanvaarden en er een kans
in zien om elkander bij te staan en in die gegevenheid de opheffing van
alle fouten en kwaad te bewerken.
Zo zocht ook Jezus zijn eigen lijden niet, - Hij bad de
Vader zelfs dat die kelk aan Hem voorbij zou gaan, - maar Hij aanvaardde
het leed dat men Hem zou aandoen als de prijs die gevergd werd om in zijn
menselijk bestaan, door volkomen dienstbaarheid, Gods verlossende wil te
volbrengen.
Ten onrechte dacht Abraham dat het Gods wil was om zijn
zoon te offeren als losprijs voor de belofte die hij van Jahwe ontvangen
had, maar waarvan de uitwerking op zich liet wachten. In Abrams omgeving
waren kinderoffers aan de goden geen uitzondering. Zou het dan Gods wil
niet zijn, dat hij dat ook zou doen? Maar in het diepst van zichzelf
voelde Abraham wel dat niet hij Gods belofte moest afdwingen, maar gewoon
zijn eigen plannen moest vrij geven om Gods wil te verwezenlijken op het
ogenblik dat God zelf dat zou willen. En dat besef hield uiteindelijk zijn
dodende hand tegen.
Want God is getrouw. Hij wil ons heil. Maar ieder van
ons krijgt een groei te verwerkelijken in de opgang naar dat heil. En
Jezus is ons daarbij tot voorbeeld. In zijn volkomen gegevenheid aan Gods
heilswil, vervulde hij de wet en de profeten, die in het Taborvisioen door
Mozes en Elia worden voorgesteld. In zijn verbondenheid met de Vader en
met allen die Gods wil willen volbrengen is hij de welbeminde Zoon, naar
wie wij moeten luisteren. Luisteren naar zijn verbondenheid met de Vader
als Hij de berg opgaat om te bidden; luisteren naar zijn verbondenheid met
de mensen als Hij de berg afdaalt om ons leven te delen in getrouwheid aan
die Vader, ook al kost dat lijden en dood.
Want Jezus leert ons dat die volgehouden getrouwheid
aan God doet opstaan uit de dood. Hoorden wij Paulus niet in de
Romeinenbrief uitroepen: "Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons
zijn?". En zei Jezus niet: "Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij
gestorven" (Johannes 11,25)? Die overtuiging moet ons leven dragen en ons
doen volharden als wij moeilijke tijden meemaken. In die overtuiging ging
Jezus ons voor, hij die aan zijn leerlingen verklaarde: "mijn spijs is, de
wil te doen van Hem die Mijn gezonden heeft en zijn werk te volbrengen" (Johannes
4,34). En die opdracht draagt Hij aan ons over: "Zoals de Vader Mij
gezonden heeft, zo zend Ik u" (Johannes 20,21): een zending met een
zekerheid: God staat achter u, Hij zendt u en steunt u; Hij waarborgt het
uiteindelijk welslagen van uw leven als gij het uit zijn hand aanvaardt en
er naar zijn intenties mee omgaat.
Het Taborvisioen wordt dan ook ons aller toekomstbeeld,
want juist voor zijn heengaan bad Jezus: "Vader, Ik wil dat zij die Gij
Mij gegeven hebt met mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij mijn
heerlijkheid mogen aanschouwen die Gij Mij gegeven hebt" (Johannes
17,24).
In die hoop mogen wij leven en sterven. Joris Backeljauw o.p. |
| |