Veronderstel dat een oude vriend onaangekondigd bij u
komt binnengevallen.
U herkent hem niet direct en kijkt hem vragend aan. Hij zegt: ik ben het,
je moet me toch herkennen. En hij begint te vertellen over vroeger, over
wat u samen met hem hebt gedaan en beleefd. U valt hem bij: ja,
natuurlijk! En u vult zijn verhaal aan,
over nog andere dingen uit jullie gemeenschappelijk verleden. We moeten de
draad weer opnemen, besluit u. En u maakt plannen met uw vriend voor wat
jullie in de toekomst samen zoudt kunnen ondernemen.
Wie ooit zoiets heeft beleefd, kan goed begrijpen hoe
het volgens het evangelie Jezus' leerlingen is vergaan toen ze hem na zijn
dood plots midden onder hen zagen verschijnen.
Lucas stond voor de opdracht de lezers van zijn
evangelie, en dat zijn wij nu hier ook, ervan te overtuigen dat Jezus na
zijn dood en begrafenis tot een nieuwe wijze van leven is opgewekt. Hij
doet het door te beschrijven hoe Jezus' leerlingen gaandeweg tot die
rotsvaste gelovige overtuiging zijn gekomen. Hij vertelt een beeldverhaal,
een uitbeelding van hoe hun innerlijke overtuiging tot stand is gekomen en
zich in daden heeft omgezet.
Volgens dit verhaal stonden de leerlingen verbijsterd
toen ze Jezus plots zagen verschijnen. Ze meenden een geest te zien.
Misschien verwijst de evangelist naar het populaire geloof dat de geesten
van gestorven mensen soms vanuit hun onderaardse verblijf kwamen en de
levenden de stuipen op het lijf joegen.* Vandaar de paniek van de
leerlingen. Maar Jezus stelde hen gerust. Kijk eens goed. Een geest heeft
toch geen vlees en beenderen. Kijk naar de wonden in mijn handen en
voeten. Betast ze maar. En geef me iets te eten. Overtuigende details om
duidelijk te maken dat het werkelijk Jezus was die in levenden lijve bij
de apostelen was gekomen.
In levenden lijve, maar natuurlijk niet in de fysieke
gestalte van vóór zijn dood. Zijn dood had hem definitief uit de wereld
weggerukt. Grondiger eigenlijk dan onze gestorven geliefden. Wij kunnen
nog hun graf bezoeken om er te treuren, bloemen neer te leggen of te
bidden. Dat konden Jezus' moeder en andere vrouwen en zijn leerlingen
niet. Zijn graf was leeg. Dat hij uit zijn graf verdwenen was, wil niet
zeggen dat hij over de dood heen was teruggekeerd naar zijn leven onder de
mensen, zoals dit bv. volgens het Johannesevangelie met Lazarus was
gebeurd. Het wil zeggen dat hij leeft, niet aan onze kant maar aan de
overkant van de dood, niet meer aan de aardse beperkingen gebonden.
Als onze familie bijeenkomt, roepen we onze dierbare
overledenen in herinnering. We halen oude foto's boven, we spelen een
geluidsbandje af, misschien een video. Op die manier komen ze bij ons
aanwezig, maar zoals ze waren toen ze nog leefden, in de verleden tijd.
Bij de apostelen en leerlingen van Jezus kwam hij aanwezig in de
tegenwoordige tijd, zoals hij was en nu nog altijd is na zijn dood.
'Verheerlijkt' is het woord dat we daarvoor gebruiken.
Nadat Jezus gestorven was kwamen zijn leerlingen
regelmatig bijeen om de herinnering aan hem levend te houden. Ze spraken
over wat ze van hem hadden geleerd, over wat hij gedaan had en wat er met
hem was gebeurd. In het licht daarvan lazen ze uit de heilige Schrift en
ze begrepen haar betekenis. En al sprekend en samen lezend brak bij hen
het besef door: hij is hier nu, midden onder ons. We zien hem niet,
maar we worden het gewaar. We zijn er zeker van.
Zo moeten we het beeldverhaal van het evangelie
verstaan. 'Jullie moeten van dit alles getuigenis afleggen', zei Jezus.
Dat hebben ze gedaan. Denk bv. aan de paaspreek van Petrus geciteerd in de
eerste lezing. 'God heeft zijn dienaar Jezus de hoogste eer bewezen. Hij
heeft hem uit de dood doen opstaan en daarvan getuigen wij.' Dankzij hun
getuigenis is men het overal in de wereld te weten gekomen. Door het lezen
van het evangelie komen wij hier het weer te weten.
Telkens als christenen in een eucharistische maaltijd
samenkomen, stelt de verzamelde gemeenschap de verheerlijkte Christus in
haar midden aanwezig. 'Lichaam van Christus', 'bloed van Christus':
geconsacreerd hostiebrood en wijn die het zichtbaar en werkzaam teken zijn
van zijn aanwezigheid. Het wordt gezongen in een inspirerend kerklied.
Terwijl we van hem spreken
is
hij in onze kring,
om ons het brood te
breken
van zijn verkondiging.
'Vrede zij met jullie' zegt Jezus in het verhaal van
Lucas. Het hebreeuwse 'shaloom' vinden we terug in het Franse 'salut',
'gegroet' in het Nederlands. Maar als we kort voor de communie elkaar
vrede toewensen, is dat veel meer dan een groet. We bedoelen de vrede die
Jezus zijn apostelen heeft toegezegd. Vrede in die sterke zin van het
woord. We drukken dit uit met een handdruk, misschien met een knuffel of
een kus.
Vrede in de sterke zin van het woord, dat is die
innerlijke vrede die een mens echt vrij maakt. Geen vrede van met rust te
worden gelaten, maar een vrede die te maken heeft met geloven dat het
leven vraagt om gedeeld te worden met anderen, om samenhorigheid,
verbondenheid met de andere mensen, met de opdracht om elkaar leefruimte
te geven, ruimte voor vrijheid.
Ik wens u dat u straks elkaar vrede in die sterke zin
van het woord zult toewensen en het niet bij woorden en een vriendelijk
gebaar zult laten.
B.J. De Clercq o.p.