| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 18 december 2011 - vierde adventszondag |
|
|
Lezingen:
2
Samuël 7,1-5.8-12.14-16
|
||
|
Goede vrienden, Want hoe begreep dat godsvolk de profetieën over die
Messias, en hoe zien wij Gods komst onder ons? Hoe begrijpen wij concreet de
heropleving van het christendom? Treuren wij erom dat de gemeenten opdracht
krijgen om na te gaan in hoe ver de kosten nog verantwoord zijn voor het
onderhoud van onze kerken, die toch grotendeels ontvolkt zijn, of gaat het
ons ter harte dat zovele mensen God niet meer vinden, omdat zij Hem niet God
laten zijn in hun leven? Ik zal voor u een huis oprichten, zei God tot
David, als die Hem een paleis wou bouwen. Want het Rijk dat God met zijn
volk wil opbouwen steunt niet op wereldlijke grootheid en macht, maar zal
dit vergankelijke overstijgen tot een eeuwige band van God met de mensen,
een band van liefde en eenheid..
Alleen in een hart dat zegt: 'Mij geschiede naar uw Woord'
vindt God de woning die Hem past, kan Hij werkzaam zijn om ons te verlossen
van alle eigengereidheid en al te aardse bekommernissen. Alleen een mens die
onvoorwaardelijk 'ja' zegt op de Heer, is 'begenadigd' d.w.z. drager van
Gods heilsplan, zoals Maria dat was en de evangelist onderlijnt dat nog
sterker door te vertellen op welke bovenmenselijke wijze zij de moeder zou
worden van de Heer.
En zo zal ook alleen een christendom dat zich afvraagt
wat de Heer wil, overleven en waarachtig zijn ‘kerk’ zijn. Kerk betekent
toch ‘van de Heer’?!
Welnu, die Heer wil geheel met ons zijn. Emmanuel – God
met ons – zal de engel Hem in de lijn van Jesaja's profetie noemen.
Als een mensenkind wordt Hij geboren, niet in een paleis, maar in een stal
waarboven de schittering van de ster blijft ‘stille staan’. Ons bestaan
zal hij delen om ons te leren dat ook bij ons niet onze wil, maar de wil van
de Vader moet geschieden. God God laten zijn, zoals Hij dat deed, daar komt
het op aan.
Maar dat ‘laten zijn’ is geen passief werkwoord. Want
die God vordert ons op om, in het spoor van zijn Zoon, mensen te werven voor
de gemeenschap die Hij met ons wil opbouwen. En dat doen wij door goed te
zijn, door 'om elkaar te geven', door te maken dat wij in Zijn naam bij
elkaar horen, want pas dan is Hij werkelijk in ons midden, pas dan zijn wij
werkelijk ‘kerk’.
Het is die kerk die moet hersteld worden en uitgroeien;
het is die toekomst van het christendom waaraan wij moeten werken. Het ligt
wellicht in de lijn van Gods voorzienigheid dat wij de vanzelfsprekendheid,
die het christendom in onze streken genoot, nu moeten missen. Want wij
moesten ons ervan bewust worden dat kerk meer is dan een gesloten
organisatie met een luisterrijke eredienst, maar beleving, vermenselijking,
open dialoog met andersgelovigen en dààrdoor vergoddelijking van ons
bestaan.
Bidden wij Maria om met eenzelfde zielskracht aan God te
kunnen zeggen: 'Mij geschiede naar uw woord'.
Joris Backeljauw o.p. |
| |