Dominicanen Leuven Zondagspreken
  18 december 2011 - vierde adventszondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

2 Samuël 7,1-5.8-12.14-16
Lucas 1,26-38

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Werken aan de toeomst van de kerk


Goede vrienden,
Verleden zondag hoorden wij Johannes de Doper zeggen: 'Midden onder u staat Hij die gij niet kent". Maar hoe komt het dat wij Hem niet kennen? Vandaag, in de lezingen van deze vierde zondag van de advent, wordt ons daarop antwoord gegeven. Om Hem te kennen, om zijn aanwezigheid onder ons te herkennen, moeten we Hèm aan het woord laten, moeten we onze eigen voorstellingen van de Heer prijs geven en ons open stellen voor Zijn openbaring, moeten onze verwachtingen naar de wederkomst of de vernieuwde komst van de Verlosser worden uitgezuiverd. net zoals dat met de verwachtingen van het joodse volk naar de Messias moest gebeuren.

Want hoe begreep dat godsvolk de profetieën over die Messias, en hoe zien wij Gods komst onder ons? Hoe begrijpen wij concreet de heropleving van het christendom? Treuren wij erom dat de gemeenten opdracht krijgen om na te gaan in hoe ver de kosten nog verantwoord zijn voor het onderhoud van onze kerken, die toch grotendeels ontvolkt zijn, of gaat het ons ter harte dat zovele mensen God niet meer vinden, omdat zij Hem niet God laten zijn in hun leven? Ik zal voor u een huis oprichten, zei God tot David, als die Hem een paleis wou bouwen. Want het Rijk dat God met zijn volk wil opbouwen steunt niet op wereldlijke grootheid en macht, maar zal dit vergankelijke overstijgen tot een eeuwige band van God met de mensen, een band van liefde en eenheid..

Alleen in een hart dat zegt: 'Mij geschiede naar uw Woord' vindt God de woning die Hem past, kan Hij werkzaam zijn om ons te verlossen van alle eigengereidheid en al te aardse bekommernissen. Alleen een mens die onvoorwaardelijk 'ja' zegt op de Heer, is 'begenadigd' d.w.z. drager van Gods heilsplan, zoals Maria dat was en de evangelist onderlijnt dat nog sterker door te vertellen op welke bovenmenselijke wijze zij de moeder zou worden van de Heer.

En zo zal ook alleen een christendom dat zich afvraagt wat de Heer wil, overleven en waarachtig zijn ‘kerk’ zijn. Kerk betekent toch ‘van de Heer’?!

Welnu, die Heer wil geheel met ons zijn. Emmanuel – God met ons – zal de engel Hem in de lijn van Jesaja's profetie noemen. Als een mensenkind wordt Hij geboren, niet in een paleis, maar in een stal waarboven de schittering van de ster blijft ‘stille staan’. Ons bestaan zal hij delen om ons te leren dat ook bij ons niet onze wil, maar de wil van de Vader moet geschieden. God God laten zijn, zoals Hij dat deed, daar komt het op aan.

Maar dat ‘laten zijn’ is geen passief werkwoord. Want die God vordert ons op om, in het spoor van zijn Zoon, mensen te werven voor de gemeenschap die Hij met ons wil opbouwen. En dat doen wij door goed te zijn, door 'om elkaar te geven', door te maken dat wij in Zijn naam bij elkaar horen, want pas dan is Hij werkelijk in ons midden, pas dan zijn wij werkelijk ‘kerk’.

Het is die kerk die moet hersteld worden en uitgroeien; het is die toekomst van het christendom waaraan wij moeten werken. Het ligt wellicht in de lijn van Gods voorzienigheid dat wij de vanzelfsprekendheid, die het christendom in onze streken genoot, nu moeten missen. Want wij moesten ons ervan bewust worden dat kerk meer is dan een gesloten organisatie met een luisterrijke eredienst, maar beleving, vermenselijking, open dialoog met andersgelovigen en dààrdoor vergoddelijking van ons bestaan.

Bidden wij Maria om met eenzelfde zielskracht aan God te kunnen zeggen: 'Mij geschiede naar uw woord'.

Joris Backeljauw o.p.

   Terug