| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 29 januari 2012 - vierde zondag B |
|
|
Lezingen: Deuteronomium
18,15-20
|
||
|
Goede vrienden,
De eerste lezing beschrijft hoe Mozes aan de mensen
vertelde dat God voor de toekomst een profeet aankondigde die Hij zijn
woorden in de mond zou leggen, zodat die profeet volledig in Gods naam
zou spreken en optreden. En vanuit dat gezag kan Jezus ook zijn tegenstander
aan: de duivel. Want die is ook onder de toehoorders aanwezig en hij
neemt het op tegen Jezus. Maar hij doet dat wel op een eigenaardige
manier: want de duivel erkent Jezus "Ik weet wie ge zijt",
zegt hij. En eigenlijk is dat een list. Want als de duivel publiekelijk
Jezus' macht zou loochenen, dan zou hij op grote tegenstand stoten bij
het volk dat "buiten zichzelf van verbazing" was, zoals het
evangelie vertelt. Welnu, op die verbazing speelt de duivel in. Hij
heeft het over "de heilige Gods" en wil nog verder gaan om
Jezus' rol als Messias op zijn manier te onderlijnen. Zo kan hij het
volk in een roes brengen om van die Messias grootse mirakels te
verwachten en te dromen van een wereld zonder verdere zorgen of
verplichtingen.
Maar dat is Jezus' bedoeling niet. Zijn opdracht als
Messias is anders dan de goedkope droom waar te maken van mensen die een
bevrijder verwachten, die zonder meer alle – en vooral aardse - macht
zou geven aan het joodse volk.
En Jezus laat zien dat Hij sterker is dan de duivel:
Hij verbiedt hem verder te spreken en drijft hem uit. De duivel mag het
volk niet misleiden. De mensen moeten Gòds boodschap horen en
dààrnaar handelen om, mede onder Gods zegen, zèlf een rijk van vrede
en eenheid op te bouwen in deze wereld.
Kunnen wij vrede nemen met zo'n Messias? Die ons zegt
wat wij moeten doen, maar ons niet onmiddellijk van alle kwaad bevrijdt?
Of wachten ook wij op een mirakel om in Hem te geloven? En als dat zou
gebeuren, zouden wij dan gaan leven zoals Hij het vraagt? Ook de
schriftgeleerden zagen immers zijn mirakels, maar zij verdreven Hem
omdat Hij hun eigen machtspositie in de weg stond.
Jezus' mirakels mogen dan al zijn macht aantonen,
eigenlijk zijn ze manifestaties van Zijn – dat wil zeggen: van Gods
– goedheid voor de mensen. Zijn mirakels zijn genezingen, hulp in
noodsituaties, niet ingegeven door een drang naar machtsvertoon, maar
door zijn medeleven met ons, mensen, wier lot Hij is komen delen. God is
immers geen machthebber, maar een weldoener en vraagt ons "doe jij
evenzo". Zoals Jezus het aan de Joden zei toen Hij hun de parabel
van de barmhartige Samaritaan had Verteld.
Jezus vraagt van ons geen lofbetuigingen die wij Hem
zouden toesturen in de hoop dat Hij ons onze zorgen zal ontnemen. Hij
wil in ons hart komen wonen, in ons handelen aanwezig zijn, zodat ook
wij gaan spreken en werken in zijn – d.i. in Gods – naam en vanuit
zijn goedheid. Enkel op die manier bouwen wij de echte en blijvende
goede wereld op die Hij in het vooruitzicht stelt van allen die Hem
volgen.
Treden wij dus in zijn voetspoor.
Joris Backeljauw o.p. |
| |