Dominicanen Leuven Zondagspreken
  29 januari 2012 - vierde zondag B Afdrukken
 

 

Lezingen:

Deuteronomium 18,15-20
Marcus 1,21-28

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Spreken en werken in Gods naam


Goede vrienden,

De eerste lezing beschrijft hoe Mozes aan de mensen vertelde dat God voor de toekomst een profeet aankondigde die Hij zijn woorden in de mond zou leggen, zodat die profeet volledig in Gods naam zou spreken en optreden.
Het evangelie wijst erop dat Jezus die profeet is, en zijn toehoorders voelen het aan: die man spreekt niet als de schriftgeleerden, zeggen ze. Hij spreekt niet als mensen die enkel hun lesje opzeggen, maar Hij spreekt met gezag: er gaat iets van Hem uit, Hij spreekt van binnen uit: Hij spreekt niet in eigen naam, of functioneel om zichzelf te doen gelden, maar vanuit een innerlijk gezag, vrij van alle eigenbelang.

En vanuit dat gezag kan Jezus ook zijn tegenstander aan: de duivel. Want die is ook onder de toehoorders aanwezig en hij neemt het op tegen Jezus. Maar hij doet dat wel op een eigenaardige manier: want de duivel erkent Jezus "Ik weet wie ge zijt", zegt hij. En eigenlijk is dat een list. Want als de duivel publiekelijk Jezus' macht zou loochenen, dan zou hij op grote tegenstand stoten bij het volk dat "buiten zichzelf van verbazing" was, zoals het evangelie vertelt. Welnu, op die verbazing speelt de duivel in. Hij heeft het over "de heilige Gods" en wil nog verder gaan om Jezus' rol als Messias op zijn manier te onderlijnen. Zo kan hij het volk in een roes brengen om van die Messias grootse mirakels te verwachten en te dromen van een wereld zonder verdere zorgen of verplichtingen.

Maar dat is Jezus' bedoeling niet. Zijn opdracht als Messias is anders dan de goedkope droom waar te maken van mensen die een bevrijder verwachten, die zonder meer alle – en vooral aardse - macht zou geven aan het joodse volk.

En Jezus laat zien dat Hij sterker is dan de duivel: Hij verbiedt hem verder te spreken en drijft hem uit. De duivel mag het volk niet misleiden. De mensen moeten Gòds boodschap horen en dààrnaar handelen om, mede onder Gods zegen, zèlf een rijk van vrede en eenheid op te bouwen in deze wereld.

Kunnen wij vrede nemen met zo'n Messias? Die ons zegt wat wij moeten doen, maar ons niet onmiddellijk van alle kwaad bevrijdt? Of wachten ook wij op een mirakel om in Hem te geloven? En als dat zou gebeuren, zouden wij dan gaan leven zoals Hij het vraagt? Ook de schriftgeleerden zagen immers zijn mirakels, maar zij verdreven Hem omdat Hij hun eigen machtspositie in de weg stond.

Jezus' mirakels mogen dan al zijn macht aantonen, eigenlijk zijn ze manifestaties van Zijn – dat wil zeggen: van Gods – goedheid voor de mensen. Zijn mirakels zijn genezingen, hulp in noodsituaties, niet ingegeven door een drang naar machtsvertoon, maar door zijn medeleven met ons, mensen, wier lot Hij is komen delen. God is immers geen machthebber, maar een weldoener en vraagt ons "doe jij evenzo". Zoals Jezus het aan de Joden zei toen Hij hun de parabel van de barmhartige Samaritaan had Verteld.

Jezus vraagt van ons geen lofbetuigingen die wij Hem zouden toesturen in de hoop dat Hij ons onze zorgen zal ontnemen. Hij wil in ons hart komen wonen, in ons handelen aanwezig zijn, zodat ook wij gaan spreken en werken in zijn – d.i. in Gods – naam en vanuit zijn goedheid. Enkel op die manier bouwen wij de echte en blijvende goede wereld op die Hij in het vooruitzicht stelt van allen die Hem volgen.

Treden wij dus in zijn voetspoor.

Joris Backeljauw o.p.

   Terug