Dominicanen Leuven Zondagspreken
  8 februari - vijfde zondag Afdrukken
 

Lezingen:


Job 7,1-7

1 Korintiërs 9,16-23
Marcus 1,29-39

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


In de handen van God


Het evangelie vertelt meermaals over de speciale wendingen die Jezus aanneemt in zijn leven en die hebben dan ook een heel speciale betekenis. In het verhaal van vandaag heeft Jezus zijn bevoorrechte leerlingen meegenomen om daarvan getuigen te zijn. Zij maken het mee hoe Jezus Petrus' schoonmoeder geneest, en hoe Hij 's avonds een hele groep mensen heelt, vooral dan van wat de bijbel 'boze geesten' noemt. Maar dan merken zij dat de Heer zich terugtrekt in gebed, in uitdrukkelijke relatie dus met de Vader die Hem naar de mensen stuurt, en die Hem bezielt in heel zijn doen en laten.

De leerlingen gaan de Heer achterna en willen Hem terug naar de plaatselijke bevolking brengen om zijn genezend werk voort te zetten. "Iedereen zoekt U", zeggen zij, maar Jezus' bevreemdend antwoord is: "Laten we ergens anders naartoe gaan" en wel om te prediken. "Daartoe immers ben Ik uitgegaan", zegt de Heer. en Hij gaat dan ook prediken in de omtrek en drijft daar de 'boze geesten' uit.

De confrontatie van Jezus met de lijdende mens is niet die van de wonderbare genezer, die al het lijden zal wegnemen, maar van het godsnabije woord, dat al onze verkeerde opinies wegneemt om onze ogen te openen voor het Godsrijk dat komen moet en dat maar doorheen de lasten van onze zwakke menselijke natuur wordt waargemaakt als wij ons voor God openstellen.

Zelf heeft Jezus ons daarin het voorbeeld gegeven als ook Hij ons menselijk lijden onderging en  - heel menselijk – al zuchtende bad: : "Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan" , maar tegelijk met de gelovige overgave daaraan toevoegde:: "Niet mijn, maar uw Wil geschiede".

Het lijden behoort tot onze menselijke conditie. Het boek Job waaruit we in de eerste lezing lazen, dient de zinzoekende mens van antwoord, waar die het lijden zou zien als een straf voor de zonde, zoals we dat meermalen horen uiten in de Schrift. Job was géén zondaar, integendeel, hij was een voorbeeld van een godsgetrouw man en toch overkomt hem lijden op lijden. Maar hij blijft vertrouwen: "Ik weet dat mijn Verlosser leeft" roept hij zijn betweters van vrienden toe.(Job 19,25).

En Paulus, in de tweede lezing, vertelt ons: "Met de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen". God ontneemt ons onze zwakheid niet. Juist in onze zwakheid wil Hij nabij zijn, opdat wij onze hoop om Hem zouden richten, op zijn grootheid die ons tot een hoger leven roept.

En om tot dat leven te komen, moeten de 'boze geesten' uit ons verwijderd worden, dat wil zeggen, alles wat ons van de Heer wegtrekt.
Het is misschien wel betekenisvol dat de mensen meer gaan bidden wanneer ze tegenslag of lijden kennen. Dan is immers hun zelfvoldaanheid zoek, dan worden ze zich bewust van hun broosheid, dan zoeken ze heil buiten zichzelf. Maar tegelijkertijd is het lijden een beproeving voor het geloof: als God zo goed is, waarom laat Hij dat dan gebeuren? Ook het boek Job staat vol van zo'n opstandige verwijten. Maar tegelijkertijd wordt hij er zich van bewust dat zijn bestaat in andere handen ligt en dat de schepping geen vergeefse daad is. "Ik weet het: mijn verlosser leeft, en Hij zal ingrijpen hier op aarde, en ik zal Hem aanschouwen met mijn eigen lichaam", zegt hij

Net zoals aards geluk is ook aardse tegenslag voorbijgaand, ja heel ons aardse leven is voorbijgaand,  maar wij zijn geroepen om het aardse te overstijgen en dat is Jezus komen verkondigen. Het komt erop aan die band met de God die blijvend leeft op te bouwen hier in dit aardse bestaan, want in dit bestaan is God ons nabij als de redder die trouw is en trouw blijft over de dood heen.

En dat is het wat Paulus bezielde als hij schreef: "Ik doe alles voor het evangelie – voor die blijde boodschap, dus – om er ook zelf deel aan te krijgen".

En het is op dat geloof dat Jezus zinspeelt als Hij tot de Emmaüsgangers zegt: "Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?" (Lc. 24,26). Tot voorbeeld van ons allen heeft Hij immers ons menselijk bestaan gedeeld met al die wetmatigheden van de vergankelijke schepping, waarvoor ons verstand geen zin vindt, maar waarboven het geloof in God ons uittilt en openstelt voor Gods uiteindelijke openbaring in heerlijkheid.

Moge deze hoop ons bezielen en kracht geven om in al onze levensomstandigheden naar God toe te leven.

Joris Backeljauw o.p.

 
   Terug