| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 8 februari - vijfde zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Het evangelie vertelt meermaals over de speciale
wendingen die Jezus aanneemt in zijn leven en die hebben dan ook een heel
speciale betekenis. In het verhaal van vandaag heeft Jezus zijn
bevoorrechte leerlingen meegenomen om daarvan getuigen te zijn. Zij maken
het mee hoe Jezus Petrus' schoonmoeder geneest, en hoe Hij 's avonds een
hele groep mensen heelt, vooral dan van wat de bijbel 'boze geesten'
noemt. Maar dan merken zij dat de Heer zich terugtrekt in gebed, in
uitdrukkelijke relatie dus met de Vader die Hem naar de mensen stuurt, en
die Hem bezielt in heel zijn doen en laten.
De leerlingen gaan de Heer achterna en willen Hem terug
naar de plaatselijke bevolking brengen om zijn genezend werk voort te
zetten. "Iedereen zoekt U", zeggen zij, maar Jezus' bevreemdend antwoord
is: "Laten we ergens anders naartoe gaan" en wel om te prediken. "Daartoe
immers ben Ik uitgegaan", zegt de Heer. en Hij gaat dan ook prediken in de
omtrek en drijft daar de 'boze geesten' uit. De confrontatie van Jezus met de lijdende mens is niet
die van de wonderbare genezer, die al het lijden zal wegnemen, maar van
het godsnabije woord, dat al onze verkeerde opinies wegneemt om onze ogen
te openen voor het Godsrijk dat komen moet en dat maar doorheen de lasten
van onze zwakke menselijke natuur wordt waargemaakt als wij ons voor God
openstellen.
Zelf heeft Jezus ons daarin het voorbeeld gegeven als
ook Hij ons menselijk lijden onderging en - heel menselijk – al zuchtende
bad: : "Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan"
, maar tegelijk met de gelovige overgave daaraan toevoegde:: "Niet mijn,
maar uw Wil geschiede".
Het lijden behoort tot onze menselijke conditie. Het
boek Job waaruit we in de eerste lezing lazen, dient de zinzoekende mens
van antwoord, waar die het lijden zou zien als een straf voor de zonde,
zoals we dat meermalen horen uiten in de Schrift. Job was géén zondaar,
integendeel, hij was een voorbeeld van een godsgetrouw man en toch
overkomt hem lijden op lijden. Maar hij blijft vertrouwen: "Ik weet dat
mijn Verlosser leeft" roept hij zijn betweters van vrienden toe.(Job
19,25).
En Paulus, in de tweede lezing, vertelt ons: "Met de
zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen". God ontneemt ons
onze zwakheid niet. Juist in onze zwakheid wil Hij nabij zijn, opdat wij
onze hoop om Hem zouden richten, op zijn grootheid die ons tot een hoger
leven roept.
En om tot dat leven te komen, moeten de 'boze geesten'
uit ons verwijderd worden, dat wil zeggen, alles wat ons van de Heer
wegtrekt. Net zoals aards geluk is ook aardse tegenslag
voorbijgaand, ja heel ons aardse leven is voorbijgaand, maar wij zijn
geroepen om het aardse te overstijgen en dat is Jezus komen verkondigen.
Het komt erop aan die band met de God die blijvend leeft op te bouwen hier
in dit aardse bestaan, want in dit bestaan is God ons nabij als de redder
die trouw is en trouw blijft over de dood heen.
En dat is het wat Paulus bezielde als hij schreef: "Ik
doe alles voor het evangelie – voor die blijde boodschap, dus – om er ook
zelf deel aan te krijgen".
En het is op dat geloof dat Jezus zinspeelt als Hij tot
de Emmaüsgangers zegt: "Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn
glorie binnen te gaan?" (Lc. 24,26). Tot voorbeeld van ons allen heeft Hij
immers ons menselijk bestaan gedeeld met al die wetmatigheden van de
vergankelijke schepping, waarvoor ons verstand geen zin vindt, maar
waarboven het geloof in God ons uittilt en openstelt voor Gods
uiteindelijke openbaring in heerlijkheid.
Moge deze hoop ons bezielen en kracht geven om in al
onze levensomstandigheden naar God toe te leven.
Joris Backeljauw o.p. |
| |