| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 22 februari - zevende zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Vandaag is het de enige zondag van dit jaar waarop een
lezing uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs op de liturgische
kalender staat. Zeker in het Paulusjaar mogen we die lezing niet
overslaan. In het Paulusjaar is het ook aangewezen dat over Paulus wordt
gepreekt Paulus was een vechter. Hij heeft dikwijls slaag
gekregen. Fysieke geselslagen. Maar wat hem meer pijn deed waren de
geestelijke slagen van zijn tegenstanders die het evangelie zoals hij het
preekte afwezen en hem verdacht maakten als een onbetrouwbare apostel.
Geloof hem niet, zeiden ze, luister naar ons. Maar hij liet zich niet
afschrikken. Hij vocht terug. 'Ik ben gegrepen door Christus', schrijft
hij, 'Wee mij als ik zijn evangelie niet verkondig.' Gedurende het anderhalf jaar dat Paulus de eerste keer
in Korinte verbleef, woonde hij in bij een bekeerd Joods echtpaar, mensen
die zoals hij van beroep leerbewerkers (tentenmakers) waren. Hij werkte in
hun atelier en verdiende zo een arbeidsinkomen waar hij kon van leven. Ook
in de andere steden waar hij kwam, zocht hij altijd werk. In Korinte
wisten ze dat. Paulus vernam van zijn medewerkers dat zijn tegenstanders
dit aangrepen om hem verdacht te maken. Hij werkt voor de kerk, zeiden ze,
waarom wil hij dan niet leven op kosten van de kerk, dat is toch zijn
volste recht? De andere apostelen en kerkleiders laten zich wel betalen.
Wat een pretentie van die man! En zijn apostolaat lijdt eronder. Maar voor hem was het een erezaak geen materiële
vergoeding voor zijn geestelijk werk te vragen. "Wij zijn niet als veel
anderen", schrijft hij, "die aan Gods woord willen verdienen." Hij wilde
niet alleen niemand tot last zijn, zoals hij herhaaldelijk schrijft. Het
was er hem vooral om te doen dat hij in volledige vrijheid kon preken en
werken, zonder iemand naar de ogen te moeten zien. Gods woord mag niet
gebonden zijn. Paulus was er heilig van overtuigd dat hij het gelijk
aan zijn kant had. Hij veegde zijn tegenstanders de mantel uit. Ik preek
mezelf niet, schrijft hij, zoals die schijnapostelen die tegen mij ageren.
Ik verkondig de gekruisigde en verrezen Christus, tot heil van de Joden en
van alle mensen, wie ze ook zijn en waar ze ook wonen. Daar heb ik alles
voor over. Ik sterf nog liever dan het op te geven. Gods woord mag niet gebonden zijn. In onze kerk is het
in principe niet gebonden. In België staan de bedienaren van de katholieke
eredienst van hoog tot laag wel op de loonlijst van het Ministerie van
Justitie, maar zoals aan alle burgers wordt hun vrijheid van meningsuiting
door de wet gegarandeerd en verbiedt de wet dat de burgerlijke overheden
zich met kerkelijke aangelegenheden bemoeien. Van buitenaf bekeken mag dit
een comfortabele situatie genoemd worden die collega's in andere landen
hun misschien benijden. Maar het tekort aan zulke bedienaren neemt alsmaar
toe. Zonder het leger van onbezoldigde vrijwilligers in de kerk zou ze op
veel plaatsen helemaal verschrompelen. Er zijn er ongetwijfeld die het
Paulus nazeggen: de beloning voor mijn werk is dat ik het evangelie tot
leven breng zonder dat ik er een loon voor krijg. Er zijn bij ons sterk
gemotiveerde gelovigen met een betaalde job die hun vrije tijd besteden
aan gratis werk voor de kerk waaraan ze meer waarde hechten dan aan hun
beroep. Er zijn er ook die genoegen nemen met een inkomen uit deeltijdse
arbeid om meer vrije tijd te hebben voor hun kerkelijke dienst die ze
hoger schatten. Er zijn in onze kerk priesters en predikanten die zoals
Paulus heilig overtuigd zijn van hun gelijk en die verdacht worden gemaakt
en tegenwind krijgen vanuit de basis of van hogerhand. Ze zullen bij hun
verdediging wel niet dezelfde harde taal gebruiken als Paulus. Wij zullen
bijvoorbeeld de paus niet uitschelden omdat hij naar onze overtuiging
domme dingen zegt of doet. Maar wie vasthoudt aan de heilige overtuiging
van zijn gelijk, moet zoals Paulus ook bereid zijn de consequenties
daarvan op zich te nemen. In de passage uit de Korintiërsbrief die werd
voorgelezen verdedigt Paulus zichzelf en zijn medewerkers tegen diegenen
die hen verdenken van dubbelzinnigheid en onoprechtheid. Het is niet waar,
zegt hij, dat we het ene moment ja zeggen en het andere moment nee, dat we
ja zeggen en nee bedoelen, ja zeggen maar nee doen. Ons ja is honderd
percent ja, wars van elke dubbelzinnigheid. Jezus Christus die we u
verkondigen was een man uit één stuk. In hem was alleen maar ja. Hij
belichaamt het 'ja' van God die trouw is aan zijn beloften. En dan zegt
Paulus tegen zijn lezers: U stemt toch in met mijn ja, is het niet? Want als
ik voor u
preek, antwoordt u met 'amen', dat wil zeggen 'ja, zo is het', tot eer van
God. Als wij dit nu lezen, kunnen we het begrijpen als een
vermaning aan ons adres. Hoe dikwijls zeggen we niet 'amen' in een
eucharistieviering? We mogen niet met een dubbele tong spreken. 'Ja,
maar...' Een zondagsja, dat we op weekdagen tegenspreken. Ik moge dit samenvatten in een gebed dat de dominicanen
bidden op de dinsdagmddag van de vierde week. 'God, Gij alleen zijt het licht zonder duisternis. Wij
zijn verdeeld tussen goed en kwaad, tussen ja en neen. In u is alleen maar
ja. Geef dat we aanwezig zijn in de woorden die we spreken, en dat we ons
laten vinden door allen die ons nodig hebben. Amen.' B.J. De Clercq o.p. |
| |