Dominicanen Leuven Zondagspreken
  22 februari - zevende zondag Afdrukken
 

Lezingen:


2 Korintiërs 1,28-22
Marcus 2,1-12

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


In de leer bij Sint-Paulus


Vandaag is het de enige zondag van dit jaar waarop een lezing uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs op de liturgische kalender staat. Zeker in het Paulusjaar mogen we die lezing niet overslaan. In het Paulusjaar is het ook aangewezen dat over Paulus wordt gepreekt

Paulus was een vechter. Hij heeft dikwijls slaag gekregen. Fysieke geselslagen. Maar wat hem meer pijn deed waren de geestelijke slagen van zijn tegenstanders die het evangelie zoals hij het preekte afwezen en hem verdacht maakten als een onbetrouwbare apostel. Geloof hem niet, zeiden ze, luister naar ons. Maar hij liet zich niet afschrikken. Hij vocht terug. 'Ik ben gegrepen door Christus', schrijft hij, 'Wee mij als ik zijn evangelie niet verkondig.'

Gedurende het anderhalf jaar dat Paulus de eerste keer in Korinte verbleef, woonde hij in bij een bekeerd Joods echtpaar, mensen die zoals hij van beroep leerbewerkers (tentenmakers) waren. Hij werkte in hun atelier en verdiende zo een arbeidsinkomen waar hij kon van leven. Ook in de andere steden waar hij kwam, zocht hij altijd werk. In Korinte wisten ze dat. Paulus vernam van zijn medewerkers dat zijn tegenstanders dit aangrepen om hem verdacht te maken. Hij werkt voor de kerk, zeiden ze, waarom wil hij dan niet leven op kosten van de kerk, dat is toch zijn volste recht? De andere apostelen en kerkleiders laten zich wel betalen. Wat een pretentie van die man! En zijn apostolaat lijdt eronder.

Maar voor hem was het een erezaak geen materiële vergoeding voor zijn geestelijk werk te vragen. "Wij zijn niet als veel anderen", schrijft hij, "die aan Gods woord willen verdienen." Hij wilde niet alleen niemand tot last zijn, zoals hij herhaaldelijk schrijft. Het was er hem vooral om te doen dat hij in volledige vrijheid kon preken en werken, zonder iemand naar de ogen te moeten zien. Gods woord mag niet gebonden zijn.

Paulus was er heilig van overtuigd dat hij het gelijk aan zijn kant had. Hij veegde zijn tegenstanders de mantel uit. Ik preek mezelf niet, schrijft hij, zoals die schijnapostelen die tegen mij ageren. Ik verkondig de gekruisigde en verrezen Christus, tot heil van de Joden en van alle mensen, wie ze ook zijn en waar ze ook wonen. Daar heb ik alles voor over. Ik sterf nog liever dan het op te geven.

Gods woord mag niet gebonden zijn. In onze kerk is het in principe niet gebonden. In België staan de bedienaren van de katholieke eredienst van hoog tot laag wel op de loonlijst van het Ministerie van Justitie, maar zoals aan alle burgers wordt hun vrijheid van meningsuiting door de wet gegarandeerd en verbiedt de wet dat de burgerlijke overheden zich met kerkelijke aangelegenheden bemoeien. Van buitenaf bekeken mag dit een comfortabele situatie genoemd worden die collega's in andere landen hun misschien benijden. Maar het tekort aan zulke bedienaren neemt alsmaar toe. Zonder het leger van onbezoldigde vrijwilligers in de kerk zou ze op veel plaatsen helemaal verschrompelen. Er zijn er ongetwijfeld die het Paulus nazeggen: de beloning voor mijn werk is dat ik het evangelie tot leven breng zonder dat ik er een loon voor krijg. Er zijn bij ons sterk gemotiveerde gelovigen met een betaalde job die hun vrije tijd besteden aan gratis werk voor de kerk waaraan ze meer waarde hechten dan aan hun beroep. Er zijn er ook die genoegen nemen met een inkomen uit deeltijdse arbeid om meer vrije tijd te hebben voor hun kerkelijke dienst die ze hoger schatten.
Een sterk punt, zeker, maar met een zwakke keerzijde. Vrijwilligers kunnen op elk moment om welke reden ook hun dienst opzeggen. Die reden mag in elk geval niet zijn dat hun vrijheid wordt beknot en al te zeer aan banden gelegd. Als de we toekomst van de kerk veilig willen stellen, moet ervoor gezorgd worden dat bekwame en meer en meer onmisbare vrijwilligers een vergoeding krijgen uit eigen kerkelijke fondsen. Het zou, denk ik, niet teveel gevraagd mogen zijn dat kerkgangers die het dienstwerk van vrijwilligers in hun kerk op prijs stellen hun waardering uitdrukken door er een prijs voor te betalen.

Er zijn in onze kerk priesters en predikanten die zoals Paulus heilig overtuigd zijn van hun gelijk en die verdacht worden gemaakt en tegenwind krijgen vanuit de basis of van hogerhand. Ze zullen bij hun verdediging wel niet dezelfde harde taal gebruiken als Paulus. Wij zullen bijvoorbeeld de paus niet uitschelden omdat hij naar onze overtuiging domme dingen zegt of doet. Maar wie vasthoudt aan de heilige overtuiging van zijn gelijk, moet zoals Paulus ook bereid zijn de consequenties daarvan op zich te nemen.

In de passage uit de Korintiërsbrief die werd voorgelezen verdedigt Paulus zichzelf en zijn medewerkers tegen diegenen die hen verdenken van dubbelzinnigheid en onoprechtheid. Het is niet waar, zegt hij, dat we het ene moment ja zeggen en het andere moment nee, dat we ja zeggen en nee bedoelen, ja zeggen maar nee doen. Ons ja is honderd percent ja, wars van elke dubbelzinnigheid. Jezus Christus die we u verkondigen was een man uit één stuk. In hem was alleen maar ja. Hij belichaamt het 'ja' van God die trouw is aan zijn beloften. En dan zegt Paulus tegen zijn lezers: U stemt toch in met mijn ja, is het niet? Want als ik voor u preek, antwoordt u met 'amen', dat wil zeggen 'ja, zo is het', tot eer van God.

Als wij dit nu lezen, kunnen we het begrijpen als een vermaning aan ons adres. Hoe dikwijls zeggen we niet 'amen' in een eucharistieviering? We mogen niet met een dubbele tong spreken. 'Ja, maar...' Een zondagsja, dat we op weekdagen tegenspreken.

Ik moge dit samenvatten in een gebed dat de dominicanen bidden op de dinsdagmddag van de vierde week.

'God, Gij alleen zijt het licht zonder duisternis. Wij zijn verdeeld tussen goed en kwaad, tussen ja en neen. In u is alleen maar ja. Geef dat we aanwezig zijn in de woorden die we spreken, en dat we ons laten vinden door allen die ons nodig hebben. Amen.'

B.J. De Clercq o.p.

 
   Terug