Dominicanen Leuven Zondagspreken
  12april - Pasen Afdrukken
 

Lezing:



Johannes 20,1-9

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Gestorven, maar weer levend onder ons


We vieren de verrijzenis van onze Heer Jezus. Maar welke werkelijkheid zit achter het woord ‘verrijzen’? Wat vinden we daarover in de teksten: eerst van Paulus, dan van de evangelisten? De eerste tekst waarin over Jezus na zijn dood wordt gesproken, is een bericht over Paulus van een Romeins ambtenaar, Festus: ‘Paulus had hier vóór mij een geschil met enkele joden over een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat hij leeft (Hd 25, 19-20). Dat is sobere taal. Maar toen waren de evangeliën nog niet geschreven. ‘Hij leeft’: zo sprak Paulus nog dertig jaar na de dood van Jezus. Geen sprake van ‘verrijzenis’ van Jezus. Alleen: hij was dood en toch leeft hij. Ik denk dat Paulus bedoelt dat Jezus, ondanks zijn lichamelijke dood, zich toch nog ongevraagd innerlijk aan de leerlingen aanwezig stelt.

Hoe stelt Jezus zich in Paulus’ brieven van dezelfde tijd innerlijk aanwezig? In zijn eerste Korintiërsbrief (9,1) vertelt Paulus dat hij de Heer heeft gezien. Letterlijk zegt hij: ‘Ben ik geen vrij man, ben ik geen apostel? Heb ik Jezus onze Heer niet gezien ? Maar wat bedoelt hij met dit ‘zien’? Ik denk een innerlijke confrontatie met de man die hij hardnekkig bekampte, en van wie hij toen pijnlijk ‘inzag dat die het bij het rechte eind had. We maken dat op uit het feit dat hij zich na de innerlijke confrontatie vrij voelt van haat tegen Jezus. Hij voelt zich zelfs apostel zoals de andere, omdat ook hij een nu een innerlijke persoonlijke verhouding met Jezus heeft. In de Galatenbrief (1,16) zegt Paulus het zo: God besloot toen zijn Zoon in mij te openbaren. Ook hier spreekt Paulus nog niet van ‘verrijzen’. En waar hij in andere brieven over de verrezen Jezus spreekt, zegt hij alleen dat hij verrezen is. Niets meer. De verrezen Heer is de Heer die leeft, die zich innerlijk toont. Dat is sober.

Eerst nog eens twintig jaar later komt de tijd van de kleurrijke verhalen op basis van innerlijke gebeurtenissen: de tijd van de evangelisten. Lucas maakt van de innerlijke ervaring van Paulus bij Damascus een kleurrijk verhaal in de werkelijkheid buiten. Paulus ontmoet samen met gezellen op weg naar Damascus de verrezen Jezus in een dramatisch gebeuren van plotseling licht en woorden uit de hemel (Hand. 9). In dezelfde tijd maakt Matteüs het verhaal van de man in wit gewaad in het lege graf, die de leerlingen zegt, dat de verrezen Jezus belooft hen voor te gaan naar Galilea, waar ze hem zullen zien (Mt 28, 7). Lucas van zijn kant spreekt noch van die belofte noch van de vervulling ervan. Alles na Jezus’ dood moest in Jeruzalem gebeuren. Maar vanuit de brieven van Paulus weten we dat er een belangrijke aanwezigheid van christenen in Galilea was. Paulus kreeg in het Syrische Antiochië zijn vorming als christen. Van hieruit - niet vanuit Jeruzalem - werd hij ook het eerst op missiereis naar de heidenen gestuurd. Matteüs sloot bij die aanwezigheid aan. Hij moet ook geweten hebben dat alvast bij sommige leerlingen een innerlijke overtuiging gegroeid was, dat Jezus gewild had dat ze na zijn dood niet in Jeruzalem zouden blijven, maar dat ze beter naar Galilea zouden gaan. Daar zou de openheid naar de heidenen toe meer kans maken. Deze Galilese strekking geeft Matteüs in zijn tijd gezag door het verhaal te maken van een engel in het lege graf, die de leerlingen meedeelt dat de verrezen Jezus belooft dat hij hen zou voorgaan naar Galilea. Daarmee keerde hij zich tegen de fans van Jeruzalem.

Op Pasen vieren we dus dat de eerste leerlingen geleidelijk aan duidelijk tot het besef kwamen, dat Jezus na zijn dood toch nog leefde. Zoals aan de latere mystici kwam hij aan de eerste leerlingen innerlijk onontwijkbaar aanwezig, zodat ze moesten belijden: Jezus leeft, hij liet zich innerlijk kennen. Durven ook wij dat zeggen?

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug