| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 12april - Pasen |
|
|
Lezing:
|
|||
|
We vieren de verrijzenis van onze Heer Jezus. Maar
welke werkelijkheid zit achter het woord ‘verrijzen’? Wat vinden we
daarover in de teksten: eerst van Paulus, dan van de evangelisten? De
eerste tekst waarin over Jezus na zijn dood wordt gesproken, is een
bericht over Paulus van een Romeins ambtenaar, Festus: ‘Paulus had hier
vóór mij een geschil met enkele joden over een zekere Jezus, die dood is,
maar van wie Paulus beweert dat hij leeft Hoe stelt Jezus zich in Paulus’ brieven van
dezelfde tijd innerlijk aanwezig? In zijn eerste Korintiërsbrief (9,1)
vertelt Paulus dat hij de Heer heeft gezien. Letterlijk zegt
hij: ‘Ben ik geen vrij man, ben ik geen apostel? Heb ik Jezus onze Heer
niet gezien ? Maar wat bedoelt hij met dit ‘zien’? Ik denk een
innerlijke confrontatie met de man die hij hardnekkig bekampte, en van
wie hij toen pijnlijk ‘inzag Eerst nog eens twintig jaar later komt de tijd van de
kleurrijke verhalen op basis van innerlijke gebeurtenissen: de tijd van de
evangelisten. Lucas maakt van de innerlijke ervaring van Paulus bij
Damascus een kleurrijk verhaal in de werkelijkheid buiten. Paulus
ontmoet samen met gezellen op weg naar Damascus de verrezen Jezus
in een dramatisch gebeuren van plotseling licht en woorden uit de hemel (Hand.
9). In dezelfde tijd maakt Matteüs het verhaal van de man in wit gewaad in
het lege graf, die de leerlingen zegt, dat de verrezen Jezus belooft hen
voor te gaan naar Galilea, waar ze hem zullen zien (Mt 28, 7). Lucas van
zijn kant spreekt noch van die belofte noch van de vervulling ervan. Alles
na Jezus’ dood moest in Jeruzalem gebeuren. Maar vanuit de brieven van
Paulus weten we dat er een belangrijke aanwezigheid van christenen in
Galilea was. Paulus kreeg in het Syrische Antiochië zijn vorming als
christen. Van hieruit - niet vanuit Jeruzalem - werd hij ook het eerst
op missiereis naar de heidenen gestuurd. Matteüs sloot bij die
aanwezigheid aan. Hij moet ook geweten hebben dat alvast bij sommige
leerlingen een innerlijke overtuiging gegroeid was, dat Jezus
gewild had dat ze na zijn dood niet in Jeruzalem zouden blijven, maar dat
ze beter naar Galilea zouden gaan. Daar zou de openheid naar de heidenen
toe meer kans maken. Deze Galilese strekking geeft Matteüs in zijn
tijd gezag door het verhaal te maken van een engel in het lege graf, die
de leerlingen meedeelt dat de verrezen Jezus belooft dat hij hen zou
voorgaan naar Galilea. Daarmee keerde hij zich tegen de fans van
Jeruzalem.
Op Pasen vieren we dus dat de eerste leerlingen
geleidelijk aan duidelijk tot het besef kwamen, dat Jezus na zijn dood
toch nog leefde. Zoals aan de latere mystici kwam hij aan de eerste
leerlingen innerlijk onontwijkbaar aanwezig, zodat ze moesten belijden:
Jezus leeft, hij liet zich innerlijk kennen. Durven ook wij dat zeggen?
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |