Dominicanen Leuven Zondagspreken
  4 juli  - veertiende zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Jesaja 66, 10-14c
Lucas 10, 1-9

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar


Opnieuw een jonge kerk worden


Goede vrienden,
Beelden we ons even de situatie in waarin de eerste lezing haar plaats heeft. We zouden spontaan denken dat het over vreugdevolle dingen gaat: ‘Ge zult gedragen worden…, zoals een moeder haar kind troost zal ik u troosten…, ge zult u vol genot laven…" Maar meer dan een beschrijving is de tekst van het laatste hoofdstuk van Jesaja het inspreken van moed nadat de ballingen uit Babylonië zijn teruggekeerd. Er is immers niets terecht gekomen van een glorieuze terugkeer zoals in het vroegere gedeelte van Jesaja was voorzegd. Integendeel! Slechts heel weinigen hebben de weg terug gevonden en wie toch de moed had om de terugtocht aan te vangen komt aan in een Jeruzalem dat een ruïne is: de tempel is een hoop brokstukken, afgodendienst tiert welig, de moraliteit staat op een laag pitje. Of om het samen te vatten: de vervulling van Gods beloften lijkt niet uit te komen. En dan zou je voor minder de moed verliezen.

Zelf kwam ik in mijn prille jeugd ooit, veilig in de handen van mijn moeder, bij mijn thuis dat door een Engelse bijna-voltreffer tot een quasi puinhoop was uiteengereten. Ik kende toen Jesaja nog niet (ik was 9 jaar!) maar heb wel ervaren (en nù besef ik het) dat de Heer mij troost zoals mijn moeder mij toén troostte. Mijn verwoeste kleine Jeruzalem is door moedige vader en vriendenhanden stevig weer opgebouwd. Die opbouwers waren als de leerlingen van het evangelie die, gelukkig twee aan twee, een schier onmogelijke taak moesten gaan opknappen.

Terug naar Jesaja. De profeet zoekt in eigen ervaring niet zozeer naar woorden om de weinige inwijkelingen te tróósten, maar wel om ze bemoedigen met beelden die uit de dagelijkse levenservaring komen: mooiere beelden had hij niet kunnen vinden. Beelden die suggereren dat de hulpelozen van die tijd zich leven kunnen inzuigen als ze zich tot de levende Heer Jahwe wenden. Zo geloven wij dat toch en zo zien we dat aan mensen die in penibele omstandigheden toch licht in de ogen bewaren. Je kan natuurlijk beweren dat het makkelijk is in beelden te spreken maar dat daarmee de rauwe realiteit niet plotseling smeuïg wordt. Wat juist is. Maar een bemoedigend woord, zonder vakjargon, dat de kleur heeft van onze dagelijkse goede ervaringen, kan enorm sterkend zijn.

In de evangelielezing hoorden we hoe Jezus zijn leerlingen op een snelle haastige weg zet, want de wortels van het Jezus’ boodschap zijn nog heel teer en hebben nog niet de grote diepte die nodig is om te overleven bij nacht en ontij. De leerlingen moeten naar steden en plaatsen waar Hijzelf van plan was heen te gaan. De leerlingen worden gepromoveerd tot snel reizende ambassadeurs die zich niet mogen vermeien in de mooie landschappen of weelderige olijfboomgaarden.
Het belooft niet onmiddellijk een pleziertocht te worden: geen volgepropte Werchterrugzak, geen tweede paar schoenen, geen gevulde bankrekening. Zelfs bijna onheus dat ze geen mensen onderweg groeten mogen (terwijl de gezellige straathoekbabbel zo plezierig kan zijn). Maar het begroeten in die tijd bracht heel wat plichtplegingen mee en die tijd wordt aan de leerlingen niet gegund. Het wordt een haastige tocht waar men aan niets mag en kan blijven vasthangen. Men voelt de nadruk van Jezus op de uitdrukkelijke inzet en het loslaten van wat men eventueel als dierbare ballast ooit heeft meegesleurd. Het Rijk Gods moet snel opgebouwd worden. Ze zijn als de Joden uit de eerste lezing die in het tot ruïne vervallen Jeruzalem terugkeren en opnieuw moeten beginnen: zonder hun haastig werk komt er geen nieuw Sion.
Is het ook niet opvallend dat ze 'twee aan twee' uitgezonden worden alsof Jezus duidelijk wil maken dat de kracht Gods enkel gestalte krijgt in de man of vrouw die naast je meetrekt, hoe dan ook. Sint-Augustinus zei later ooit: ‘Eén christen is geen christen’. Jezus maakt het vooraf duidelijk. Het is het schetsen van een haastige tocht waar de leerlingen enkel mogen blijven hangen in het huis waar men hen ontvangt en waar de boodschap van Jezus met dankbare handen wordt aanvaard. Dan zal er genezing en troost zijn. Houdt Jezus een pleidooi voor bijna niet-menselijke haast? Neen toch!! Er is wel de haast om achter te laten wat de tocht hinderen zou.

Ik beeld me in dat de huidige tijd van de Kerk in ons land (en elders in Europa) een late schets is van een ietwat geteisterd Jeruzalem. Schrokgrage paparazzi hebben de zeker té donkere kanten van onze Kerk met haast doorgeslikt en met vette inkt over hun bladen (en niet alleen pulpbladen) uitgesmeerd. Vind ik dat de kerk geen fouten heeft? Helemaal niet. Over de manier van aanpak heb ik (en wij allemaal) mijn en onze bedenkingen.

Maar er is iets anders dat mij voor de geest komt. En dan inspireer ik me aan de lezingen van vandaag: een kerk kan geen kerk blijven als iedere gelovige in zijn goed afgeschermd hoekje zit te treuren. Zogenaamd ‘christelijk individualisme’ is iets wat niet kan bestaan. Er moet een lévend verhaal komen dat de schaduwen niet schuwt, maar opnieuw duidelijk verhaalt over onze Heer Jezus, zijn leven, zijn aandacht voor mensen die opzij geschoven werden, zijn barmhartigheid, zijn omgang met de leerlingen. Een verhaal over zijn aandacht voor de zieken, zijn bezorgdheid om zondaars en zijn hart vol bereidheid tot vergiffenis schenken. Het is nu dé tijd dat christenen opnieuw aan mekaar gaan vertellen hoe ze met het evangelie omgaan, hoe ze parabels als die van de Barmhartige Samaritaan en van de Verloren Zoon in eigen leven proberen waar te maken. De aloude gespreksgroepen (of hoe je dat ook noemen wil) moeten nieuw leven krijgen zodat mensen echt van mekaar horen hoe ze het evangelie met zijn eisen in eigen leven binnenlaten. We moeten het van mekaar horen zeggen wat het betekent dat we ‘niets in ze rugzak meenemen, geen tweede paar schoenen enz’. Het zijn beelden, maar christelijke levenskunst is: er een goede ‘vertaling’ van te maken. Waaraan we ons écht niet vastklampen? Durven we dat, ieder voor ons, écht vertalen?

Ik bid voor een christelijk geroezemoes dat op de achtergrond blijft klinken als de vuvuzela’s in Zuid-Afrika: dan wordt een Kerk écht opnieuw jong.

A. Vaganée o.p.

   Terug