| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 4 juli - veertiende zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede vrienden, Zelf kwam ik in mijn prille jeugd ooit, veilig in de
handen van mijn moeder, bij mijn thuis dat door een Engelse
bijna-voltreffer tot een quasi puinhoop was uiteengereten. Ik kende toen
Jesaja nog niet (ik was 9 jaar!) maar heb wel ervaren (en nù besef ik
het) dat de Heer mij troost zoals mijn moeder mij toén troostte. Mijn
verwoeste kleine Jeruzalem is door moedige vader en vriendenhanden stevig
weer opgebouwd. Die opbouwers waren als de leerlingen van het evangelie
die, gelukkig twee aan twee, een schier onmogelijke taak moesten gaan
opknappen.
Terug naar Jesaja. De profeet zoekt in eigen ervaring
niet zozeer naar woorden om de weinige inwijkelingen te tróósten, maar
wel om ze bemoedigen met beelden die uit de dagelijkse levenservaring
komen: mooiere beelden had hij niet kunnen vinden. Beelden die suggereren
dat de hulpelozen van die tijd zich leven kunnen inzuigen als ze zich tot
de levende Heer Jahwe wenden. Zo geloven wij dat toch en zo zien we dat
aan mensen die in penibele omstandigheden toch licht in de ogen bewaren.
Je kan natuurlijk beweren dat het makkelijk is in beelden te spreken maar
dat daarmee de rauwe realiteit niet plotseling smeuïg wordt. Wat juist
is. Maar een bemoedigend woord, zonder vakjargon, dat de kleur heeft van
onze dagelijkse goede ervaringen, kan enorm sterkend zijn.
In de evangelielezing hoorden we hoe Jezus zijn
leerlingen op een snelle haastige weg zet, want de wortels van het
Jezus’ boodschap zijn nog heel teer en hebben nog niet de grote diepte
die nodig is om te overleven bij nacht en ontij. De leerlingen moeten naar
steden en plaatsen waar Hijzelf van plan was heen te gaan. De leerlingen
worden gepromoveerd tot snel reizende ambassadeurs die zich niet mogen
vermeien in de mooie landschappen of weelderige olijfboomgaarden. Ik beeld me in dat de huidige tijd van de Kerk in ons
land (en elders in Europa) een late schets is van een ietwat geteisterd
Jeruzalem. Schrokgrage paparazzi hebben de zeker té donkere kanten van
onze Kerk met haast doorgeslikt en met vette inkt over hun bladen (en niet
alleen pulpbladen) uitgesmeerd. Vind ik dat de kerk geen fouten heeft?
Helemaal niet. Over de manier van aanpak heb ik (en wij allemaal) mijn en
onze bedenkingen.
Maar er is iets anders dat mij voor de geest
komt. En dan inspireer ik me aan de lezingen van vandaag: een kerk kan
geen kerk blijven als iedere gelovige in zijn goed afgeschermd hoekje zit
te treuren. Zogenaamd ‘christelijk individualisme’ is iets wat niet
kan bestaan. Er moet een lévend verhaal komen dat de schaduwen niet
schuwt, maar opnieuw duidelijk verhaalt over onze Heer Jezus, zijn leven,
zijn aandacht voor mensen die opzij geschoven werden, zijn barmhartigheid,
zijn omgang met de leerlingen. Een verhaal over zijn aandacht voor de
zieken, zijn bezorgdheid om zondaars en zijn hart vol bereidheid tot
vergiffenis schenken. Het is nu dé tijd dat christenen opnieuw aan mekaar
gaan vertellen hoe ze met het evangelie omgaan, hoe ze parabels als die
van de Barmhartige Samaritaan en van de Verloren Zoon in eigen leven
proberen waar te maken. De aloude gespreksgroepen (of hoe je dat ook noemen wil) moeten nieuw leven krijgen zodat mensen echt van mekaar horen hoe
ze het evangelie met zijn eisen in eigen leven binnenlaten. We moeten het
van mekaar horen zeggen wat het betekent dat we ‘niets in ze rugzak
meenemen, geen tweede paar schoenen enz’. Het zijn beelden, maar
christelijke levenskunst is: er een goede ‘vertaling’ van te maken.
Waaraan we ons écht niet vastklampen? Durven we dat, ieder voor ons,
écht vertalen?
Ik bid voor een christelijk geroezemoes dat op de
achtergrond blijft klinken als de vuvuzela’s in Zuid-Afrika: dan wordt
een Kerk écht opnieuw jong.
A. Vaganée o.p.
|
| |