| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 1 augustus - achtiende zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Om het familiebezit veilig te stellen en niet te
versnipperen gingen, volgens de joodse wet in Jezus' tijd, de onroerende
goederen bij overlijden naar de oudste zoon en de jongste moest zich
tevreden stellen met wat vee en een beurs.
Omdat Jezus reeds vele bevrijdende woorden had gesproken
tot de mensen meende iemand zijn kans schoon te hebben en vroeg hij aan
Jezus om tussenbeide te komen om de erfenis in zijn voordeel te
beslechten. En dan vertelde hij aan ieder die het horen wil hoe
men tegenover erfenissen en bezit, tegenover geld en goed en tegenover
zijn eigen leven moet staan.
Jezus waarschuwde: zie er op toe dat je niet door
hebzucht geregeerd wordt, want al bezit een mens nog zo veel, zijn leven
bezit hij niet. Daarom, ook al heb je geen zorgen over wat je zult eten,
deel het weinige genot wat je hebt met je medemensen en zo zul je een
schat verwerven in de hemel en rijk zijn in de ogen van God.
Jezus noemde de hardwerkende man een dwaas omdat hij
slechts aan zichzelf dacht. Lucas laat hem zesmaal 'ik' zeggen
en viermaal 'mijn'. Dwaas, zei Jezus: graan kun je zaaien en koren kun je
oogsten, maar je bent niet bekwaam om maar één korrel te laten opschieten
en te doen groeien.
De gaven van de oogst worden de man immers door Gods
kracht om niet geschonken. Maar toch denkt hij er niet aan wat hij zou
kunnen doen om zijn dankbaarheid hiervoor te tonen. Dwaas, zo hebben we gelezen, nog in deze nacht zal ik
je je leven ontnemen en wat je vergaard hebt, voor wie zal het zijn?
De volksmond heeft er twee mooie uitdrukkingen voor:
Nee, zoals een mens uit de schoot van zijn moeder
gekomen is moet hij terug: even naakt, van zijn bezittingen kan hij niets
meenemen. Zo spreekt Prediker (4,14). Daarom is de houding van de rijke
dom, want het leven en rijkdom zijn zo stabiel als een "vlaagje
wind". Voor God komen we uiteindelijk met lege handen te staan, maar
we mogen steeds rekenen op zijn barmhartigheid.
Jezus noemt de hebzuchtige man niet dwaas omdat hij
hard gewerkt heeft en voorspoed kent, ook niet omdat het hem goed gaat. En
zeker niet omdat hij van nu af wil rusten en genieten.
Voor veel mensen die we kennen zou dat al een prachtig
voornemen zijn: eindelijk eens tevreden zijn met al wat je reeds hebt en
stoppen met het gejaag naar steeds meer. Dit kunnen we onmogelijk dwaas
noemen.
Neen, Jezus noemt die rijke een dwaas omdat hij zijn
eigen waarde zoekt in zijn graanschuren, in zijn bankrekening, in zijn
prestige, zijn stand, zijn status, zijn relaties: hij stelt het hebben
boven het zijn. Hij hangt zijn leven op aan uiterlijkheden die
wisselvallig zijn en broos, die elk moment in elkaar kunnen storten. De
rijke sluit hierdoor een slechte levensverzekering af.
Jezus noemt die rijke een dwaas omdat hij alleen aan
zichzelf denkt, zich van iedereen afsluit, en niet bekommerd is om zijn
broeder.
In deze vakanietijd mogen we de wijze raad van Prediker
(2,24) in praktijk brengen: "Het beste voor de mens is nog: eten en
drinken en genieten van wat men met veel zwoegen bereikt heeft. Want ook
dat, zo begreep ik, komt uit de hand van God." Jezus voegt hier wel
aan toe dat we van onze overvloed moeten meedelen aan de zwakkere. Immers,
geef toe, alleen gelukkig zijn, zoals onze rijke uit het evangelie is toch
ook maar een eenzaam gedoe.
Liefde en zorg voor elkaar, verlangen naar
rechtvaardigheid en vrede zijn de ware middelen om een schat in de hemel
te verwerven en rijk te zijn in de ogen van God.
E.Costermans o.p., Leuven 2010 Inspiratie: Nico ter
Linden, Het verhaal gaat… deel 6,
blz 52, uitg. Balans 2003 |
| |