| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 28 februari - tweede vastenzondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Vrienden,
Het evangelie van vandaag vertelt de
gedaanteverandering van Jezus. In het Oude Testament werd reeds van Mozes
verteld dat zijn aangezicht van aanblik veranderde. Van Jezus, de nieuwe
Mozes, wordt nu gezegd dat zijn hele gedaante in heerlijkheid veranderde.
Dat de omvorming door God zich zo duidelijk in Jezus toonde, gaf Petrus
een goed gevoel: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn’. En hij
stelt voor: ‘Laat ons hier drie tenten bouwen’, om het goede gevoel te
laten voortduren. Zelf merkt de evangelist Lukas - in een ogenschijnlijk
bijkomstig zinnetje - daarbij fijntjes op: Maar Petrus wist niet wat hij
zei. Waarom wist Petrus niet wat hij zei? Lukas moet hebben gevonden, dat
het goed gevoel van Petrus het gevaar liep iets te gemakkelijk te zijn.
Hij laat dan ook een stem uit de wolken zeggen: ‘Jezus is mijn Zoon, de
Uitverkorene, luister naar hem’. D.w.z. kijk niet vooral naar
zijn verheerlijkte gedaante, zoals de leerlingen na de hemelvaart van
Jezus werd aangemaand niet naar de hemel te blijven staren. Dat betekent
eigenlijk: mensen En wat zal Jezus van de leerlingen vragen? Vanuit de
twee lijdensvoorspellingen van Jezus - vlak vóór en vlak na het verhaal
van de gedaanteverandering - kunnen we vermoeden dat Jezus zal vragen de
pijnlijke kanten, die het leven vanuit God kan meebrengen, op ons te
nemen, en ze - zoals hijzelf - niet te ontvluchten. Dat roept bij mij de
vraag op: Maar waarom blijkt er geen liefde mogelijk te zijn zonder
lijden? Liefde en lijden lijken toch elkaar tegen te spreken. Liefde geeft
toch aan lijden geen plaats.
Hoe kunnen lijden en liefde echt samengaan? In de mystiek
vinden we een diepe reden die liefde en lijden innerlijk laat samengaan.
Hoe? Laten we uitgaan van de algemene vaststelling dat we, als we in
nesten zitten, als we lijden, hopen op iemand die zal helpen. We leggen
ons niet bij het lijden neer. Er is méér dan het lijden. Wanneer we dan
bij mensen geen hulp bespeuren, hopen we dat die hulp van elders zal
komen. Hier wijst de grote moslim-mysticus uit de negende eeuw, Mansur,
ons een weg. Hij wees erop dat Gods liefde juist wordt uitgelokt, doordat
hij het lijden van de mensen ervaart. Lijden van mensen wekt de
meelijdende liefde van God. Vervolgens moet God vanuit innerlijke aandrang
zijn meelijdende liefde aan ons, mensen, meedelen. Omdat hijzelf ten
diepste medelijden is, wil hij dat ook wij medelijden zouden zijn. Zo
deelt God werkelijk zichzelf mee. Dat is de grootste gunst die hij wil
schenken. Want zo is hij. God zal dus niet het lijden van de mensen door
een of ander wonder wegnemen. Hij zal ook niet onze opdracht tot meelijden
met mensen in nood wegnemen. Hij zal ons juist de innerlijke kracht geven,
om in de pijnlijke situatie van mensen toch een uitweg te kunnen
vermoeden, en te helpen realiseren. Door liefde wordt lijden draagbaar, en
smeedt banden.
Als we dan de kracht tot meelijden in ons leven mogen
ervaren, zullen we op een moment zelfs graag lijden voor de ander
op ons nemen. Want door wat wij met Gods kracht kunnen meelijden, maken we
voor de ander en voor onszelf vreugde mogelijk. We worden opgenomen in een
warme stroom van goedheid, die ons meesleept. We worden boven onszelf
opgetild. Alles wordt licht om dragen. Dan wordt het ‘zure’ dat in de
liefde kan opgesloten liggen, en dat ons juist doet mee-lijden,
zoet. Dat is het wonder van het samengaan van liefde én lijden. Zuur
wordt dan zoet, zei Johannes Tauler, de Duitse dominicaanse mysticus uit
de veertiende eeuw.
Laten ook wij ons meeslepen door de meelijdende liefde
van God voor zijn mensen - liefde die het lijden niet wegneemt, maar het
ook niet uit de weg gaat.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |