| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 21 november - vierendertigste zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede vrienden,
De evangelielezing van vandaag zou kunnen dienen voor
een Tv-aflevering van ‘Royalty’: met dit verschil dan dat de
afstandbediening vlug op ‘uitschakelen’ zou gezet worden omdat er in
déze Royalty te weinig liefs en zachts te zien is. Nochtans gaat het over
een ‘koning’. Die van de toenmalige Joden dan. Het zou een uitzending
zijn waar men de royalisten zou zien bekvechten met de antiroyalisten. Het
is duidelijk dat beide groepen van die zogezegde koning totaal andere
dingen verwachten: zelfredding, eigen glorie en almacht voor de ene groep.
De anderen kijken even dieper en voelen waar het eigenlijk om gaat. Het is
er in de aflevering eigenlijk maar één: men noemt hem ‘de goede
moordenaar’ die in een heldere glimp door heeft dat het om andere dingen
gaat dan ‘kroon’ en ‘rode loper’. Er is wel iets roods maar dat
rood is bloed dat uit de handen van de gekruisigde loopt: dat is een
totaal andere ‘rode loper’!
Als wij hier Christus koning vieren, hoop ik dat we
iets hebben van de goede moordenaar. Niet dat we eerst een dodelijke homejacking
zouden moeten uitvoeren. Wel dat we, bewust van eigen falen, ons naar die
Christus zouden keren die het voor gekwetste mensen opneemt. Wie met dat
soort mensen begaan is (en eigenlijk behoren we allemaal tot dat soort
mensen) die mag je terecht ‘koning’ noemen.
In mijn jeugd toen ik bij de Chiro was heb ik talloze
keren de leiders horen roepen: ‘Aan Christus Koning…!!’ Met alle
stemvolume dat we hadden hebben we geantwoord: ‘Trouw’. De buren van
ons chirolokaal moeten meermaals opgeschrikt zijn door het overdadige
aantal decibels van ons antwoord.
De leiders van toen zijn helaas meestal reeds over de
randen van de dood in dat koninkrijk aangekomen waarover Christus sprak
tegen de goede moordenaar. Soms bezie ik de overlijdensprentjes van die
vrienden leiders (ook een paar dagen geleden deed ik dat) en vraag me af
hoe ze zich in dat Rijk van de beminde Zoon wel voelen.
Want één ding is zeker: het gaat hier niet
over koningschap ‘van deze wereld’: zo staat dat in de evangelietekst.
Maar over een ander koningschap dat ‘niet van deze wereld’ is. De
koning die we vandaag vieren is bepaald niet machtig en succesvol zoals je
dat in een burgerlijke maatschappij zou dromen. En dan is het moeilijk om
scherp omlijnde woorden te vinden die juist op snee zijn om dat hemels
koninkrijk voor onze verbeelding enige allure te geven. Vooral als we de
doodgewone geschiedenis bezien. Ik moet geen film van hedendaagse
mistoestanden afdraaien: hij zou eentonig zijn met kladden grauwheid van
armoe, dofheid van vereenzaming en vale mist waarin alle goede dingen
schijnen te verdwijnen.
Ben ik pessimist? Ach nee, ik kan evengoed flarden van
goddelijke goedheid bij mekaar brengen en er een lang verhaal van maken
dat wellicht als film een financiële flop zou worden. En toch. Zijn degenen die hun werken aan een toekomst met hun
leven betaald hebben dan wereldvreemden geweest? Is Oscar Romero naïef
geest? En Martin Luther King? Zijn al de vrijwilligers die, naamloos
haast, zich geven aan verpauperden en hulpbehoevenden, aan gehandicapten
en stervenszieken, mensen met een intelligentiegraad beneden het
gemiddelde? Mijn vraag is een antwoord. Het zijn zij die eigenlijk
de koningen zijn van die andere wereld waarover Jezus sprak. Met de Heer
stichten zij vrede en verzoening. Ik geloof dat we tussen onze doodgewone
gelovigen van alle dagen een rits heilige handlangers hebben van Diegene
die we vandaag als Christus Koning vieren. Het zijn de mensen die het
woord Toekomst met een hoofdletter durven schrijven, uit christelijke
overtuiging; hoe moeilijk ook de dag van vandaag en morgen kan zijn. Het
feest van Christus Koning is eigenlijk een feest van nooit te versmachten
hoop. Je weet wel: die fameuze kleine hoop van Charles Péguy die de
kinderen ‘geloof’ en’ liefde’ aan de handen houdt.
Men moet dichter zijn om die toekomst te omschrijven.
Ik wil dit doen met een gedicht van Huub Oosterhuis:
Aan de toekomst
Ooit, in schaduw van rozen Daar, aan wijd open vensters, Hart vermoedt het, verstand wikt Amen. Het zij zo.
A. Vaganée o.p.
|
| |