| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 18 pril - Derde paaszondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede Vrienden, Maar dan komt de morgen. En Johannes vertelt wat er
dan gebeurd is en wat Petrus tot zijn vurige overtuiging heeft opgewekt.
Jezus is verschenen! Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft! Maar is die Levende wel dezelfde ? Ja en neen. En dat
leert ons nu juist de evangelielezing van vandaag. Jezus, jawel Jezus,
staat aan het strand. Maar de leerlingen herkennen Hem niet, net zoals de
Emmaüsgangers Hem niet herkenden en Maria Magdalena hem voor een tuinman
aanzag. En Hij dient zich aan als een vragende medemens: "Hebben
jullie wat vis?" Letterlijk staat er: hebben jullie wat toespijs.
Hij vraag dus niet veel. Maar de leerlingen moeten antwoorden. En ze
bekennen dat ze niets gevangen hebben. En dan zegt die vreemdeling daar: werp uw net uit en wel aan uw rechterkant. De leerlingen, hoe ervaren
ook, spreken niet tegen: ze voelen iets dwingends aan dat woord en voeren
het gevraagde uit. En met welk resultaat: alle mogelijke vis is er,
honderddrieënvijftig stuks, zegt Johannes, waarmee hij zinspeelt op het
toen aantal gekende vissoorten.
En dan gaan de ogen van de leerlingen open: natuurlijk
eerst die van Johannes, die in het hart van Jezus leest. "Het is de
Heer" zegt hij. En dan die van de onstuimige leider van de groep:
Petrus, die onmiddellijk in het water springt. Nu zien ze in de
vreemdeling hun Heer. En ze begrijpen dat Jezus hen uit zijn 'heer'-lijkheid is komen opzoeken. Veelzeggend vertelt
het
evangelie: "Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen
Hem vragen: wie bent u?" Want de man die zij voor zich zagen
was anders dan de Jezus die zij gekend hadden, en toch dezelfde.
Ze wisten nu dat Hij 'uit de doden was
opgestaan', maar verheerlijkt, zoals we het hoorden beschrijven in het boek der Openbaring, en zoals Petrus
het zal getuigen in het Sanhedrin: "God heeft Hem verheven aan zijn
rechterhand".
En vandaar uit zendt Hij de Geest, die Geest die van
God en Jezus getuigt wanneer men aan Jezus' woord gehoorzaamt, zoals
Petrus het zei. Gehoorzamen aan Jezus' woord hadden de apostelen gedaan
aan het meer, en de Geest had hun Jezus geopenbaard.
In die Geest zendt Jezus nu ook zijn leerlingen uit.
Zij zullen nu zijn aardse gestalte moeten aannemen om zijn leer te
verkondigen, maar ook zijn lijden delen om eens met Hem verheerlijkt te
worden. En dat kan maar als die Geest er ook werkelijk aanwezig is. Daarom
die drievoudige vraag aan Petrus: Bemint ge mij? En die vraag wordt ons
allen gesteld, want in Petrus worden wij als één kerk, als één
leerlingengroep van Jezus gezien, klaar om Jezus' werk voort te zetten en
zo de wereld tot een levende gemeenschap te bewerken.
Christus is verrezen, jawel: dat wil zeggen: Hij leeft
bij de Vader tot wie Hij naar eigen voorzegging is opgestegen en: hij
leeft onder ons, als wij ons hart openen voor zijn Geest en doen wat Hij
van ons vraagt.
Joris Backeljauw o.p.
|
| |