| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 20 december -vierde advents zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Het evangelie van vandaag heeft iets weg van een
sprookje. Een jonge vrouw die haar eerste kind verwacht, loopt op haar
eentje haastig naar het bergland, vele kilometers ver, om haar oudere
nicht te gaan bezoeken die ook zwanger is. Zodra ze aankomt, laat het
ongeboren kind in de schoot van Elisabet aan zijn moeder verheugd weten
dat ze het kind in de schoot van haar jonge nicht heeft herkend. En
Elisabeth herkent dan ook dat kind. De moeder van mijn Heer komt me
bezoeken! Wij zijn te oud om nog in sprookjes te geloven. Maar de
evangelist wilde natuurlijk geen sprookje vertellen, en ook niet een
echt gebeurd verhaal. Het is een geloofsverhaal. Maria droeg Christus
onder haar hart. Christusdrager.
Zoals alle verhalen van Lucas rond de geboorte van
Johannes de Doper en Jezus is ook dit verhaal een 80-tal jaar na de
geboorte van Johannes en Jezus geschreven, dus lang na Pasen. Hun
bedoeling is aan de lezers duidelijk te maken wie Johannes en Jezus
waren. Ze vatten in woorden en beelden de gelovige overtuiging van de
evangelist, die hij bij zijn lezers ingang wil doen vinden.
Maria op bezoek bij Elisabeth wordt door haar nicht
herkend als 'Christusdrager', zoals in de tijd van koning David de ark
van het verbond, drager van Gods aanwezigheid, naar Jeruzalem werd
gedragen. Ze straalde Gods zegen uit en waar onderweg halt werd gehouden,
kwam die zegen over de mensen die er woonden. Elisabet herkende in
Maria, en ze zei het ook, de meest gezegende van alle vrouwen omdat ze
de Christusdrager was, zoals op de ark van het verbond Gods aanwezigheid
rustte.
Zo bidden vrome christenen nog altijd in de litanie
van Loreto tot Maria als Ark van het verbond. Mijn moeder kende die
litanie van buiten en ze heeft ze haar man en haar kinderen honderden
keren voorgebeden aan het einde van het dagelijks avondgebed vóór we
naar bed moesten. Ivoren toren, gulden huis, ark des verbonds. Ik
verstond er niets van. Mijn moeder ongetwijfeld ook niet, maar zo had ze
het van haar moeder geleerd. Nu versta ik die beeldspraak wel, en u ook,
mag ik hopen.
Dat Johannes al in de moederschoot Jezus herkent,
kunnen we verstaan in de lijn van de oude opvatting dat het lot van een
mensenkind door God al vóór zijn geboorte wordt bestemd. Als ze elkaar
op volwassen leeftijd ontmoeten, herkent Johannes wie Jezus is en wijst
hij hem aan als diegene die komen moest.
We zouden vandaag, op de drempel van Kerstmis, de
gebruikelijke voorbede kunnen vervangen door het Weesgegroet, gebeden in
aangepaste bewoordingen. We spreken haar aan als de gezegende
Christusdrager. We gedenken dat hij dankzij haar in de wereld onder de
mensen is komen wonen. We vragen dat de zegen die ze uitstraalde over
ons mag komen en op ons blijven rusten tot ons levenseinde.
Is niet iedere christen geroepen om een
Christusdrager te zijn en moet het niet een kenmerk zijn van elke
christelijke gemeenschap? Men moet daarbij niet denken aan de heilige
Christoforus, de reus die het kindje Jezus op zijn sterke schouders
veilig over het kolkende water van een rivier heeft gedragen. Dat is een
legende. Ook niet aan Sint-Kristoffel die wagens waarin een medaille van
hem hangt veilig door het gevaarlijke verkeer loodst. Dat is religieuze
folklore. We kunnen het woord ook op een andere manier letterlijk
verstaan. Mensen die het 'lichaam van Christus' (een geconsacreerde
hostie) naar een bedlegerige man of vrouw in de buurt dragen, of in een
ziekenhuis. Maar het gaat om veel meer.
Christus draagt iedereen naar medemensen die het
mensgeworden Woord hoorbaar en zichtbaar, herkenbaar maakt door wat hij
of zij zegt en doet. Als je erop mag vertrouwen dat de kracht van Gods
zegen op je rust, mag je ook hopen dat die zal uitstralen over je
medemensen.
Christusdrager is onze gemeenschap hier als we hem in
woorden en tekenen in ons midden aanwezig stellen. Als we erop
vertrouwen dat we niet vergeefs bidden: 'Geef vrede in uw naam' en de
vredewens gemeend aan elkaar doorgeven.
Kerstmis is veel meer dan de romantiek van een
pasgeboren kind in de voederbak van een stal. Het is bij uitstek een
Christusfeest. Een echt christelijk feest maken we er pas van als we
eraan meehelpen dat hij naar de mensen wordt gedragen en het lied van de
kerstengelen werkelijkheid doen worden: vrede op aarde voor alle mensen
die God liefheeft.
Dat moeten morgen en de komende dagen dus doen. Werk
maken van de wensen die we rondsturen: zalig kerstfeest!
B.J. De Clercq
o.p.
|
| |