| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 31 januari - vierde zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Vrienden,
In de eerste lezing zegt God tegen Jeremia: ‘Omgord
dan uw lenden; sta op en zeg tot het volk alles wat ik u opdraag. Laat u
door hen niet afschrikken, anders jaag ik u voor hun ogen de schrik op
het lijf. Ikzelf maak u heden tot een versterkte stad, een ijzeren zuil,
een koperen muur tegenover het hele land. Zij zullen u bestrijden, maar
niets tegen u vermogen. Want ik ben bij u om u te redden'. Doet hij dat zomaar? Of heeft hij er een reden
voor? Met deze woorden vertolkt hij wat hij als mens ervaart in en
buiten zichzelf. Hij drukt uit wat God in en met hem doet. De
Nederlandse hervormde theoloog Harry Kuitert schreef in Zeker weten:
alles wat van boven komt, komt van beneden. De woorden die de
profeten God doen zeggen (van boven), zijn eigenlijk hun eigen
menselijke inzicht in de situatie, vanuit hun door God geraakte hart
(van beneden). Zo ontdekten ze, in en buiten zichzelf, dingen die ze
niet vanuit eigen krachten konden verklaren. Daarin zagen ze de
vinger van God.
Ze kenden de geringe krachten van de mens
afzonderlijk en in groep. Maar toch zagen ze dat er met die geringe
krachten dikwijls ook grootsere dingen werden gerealiseerd dan ze
hadden verwacht. Ze lieten hun blik niet vernauwen tot de beperkte
menselijke mogelijkheden. Ze hielden de mogelijkheid open dat God in
de wereld en in hun hart kon optreden. Waren ze in schier
onoplosbare moeilijkheden, dan hoopten ze op onvermoede
mogelijkheden in die complexe situaties. En als die onvermoede
mogelijkheden zich effectief aandienden, dan redeneerden ze die niet
weg, door te denken dat ze onmogelijk waren. Ze hadden de soepelheid
nieuwe mogelijkheden in de oude gegevens in te kunnen passen. Daarin
vermoedden ze de leidende hand van God. Als ze dat deden, voelden de
profeten zich gemachtigd om God woorden in de mond te leggen die deze mogelijkheden konden verklaren.
Hoe deed Jeremia dat concreet in de tekst die ik
citeerde? Wat weten we van Jeremia in zijn tijd? In Jerusalem waren
er toen onder de leidende klasse invloedrijke religieuze leiders,
die de koning van het kleine Juda tegen de oprukkende overmacht uit
het grote Babylon wilden laten strijden, in een heroïsche strijd.
Jahwe zou hen de overwinning schenken. Jeremia van zijn kant was
realistisch, en zag in dat de joden kansloos waren tegen de
Babyloniërs. Uit zorg voor de arme bevolking, die ook nu de dupe zou
zijn, verkondigde Jeremia daarom: edelen en priesters, God zegt dat
ge u moet overgeven. Ge moogt God niet tarten. Dat werd hem door de
oorlogspartij als landverraad aangewreven. Hij werd verschillende
keren gemarteld en tenslotte door samenzweerders in een diepe put
geworpen. Zo was Jeremia een verwijzing haar het lot van Jezus.
Hoe ontstonden nu de geciteerde woorden van God
in de gemoedsgesteltenissen van Jeremia? Vanaf het begin boezemde de
hele beschreven situatie Jeremia schrik in. Hij laat dan ook God tot
hem zeggen: ‘Laat u door hen niet afschrikken, anders jaag ik u voor
hun ogen de schrik op het lijf’. Toch ervaart hij innerlijk ook dat
hem, ondanks zijn wankel hart, moed wordt gegeven. Hij beseft immers
dat het in die situatie gaat om een opdracht van God. Wanneer iets
wordt geëist dat moeilijk is, en men krijgt de kracht om het toch
te realiseren, dan is God in de buurt. Daarom laat Jeremia God tot
hem zeggen: ‘zeg tot het volk alles wat ik u opdraag’. Diep in zijn
hart ervaart hij zelfs een onvermoede kracht. Jeremia drukt dit uit
door God te laten zeggen, dat ‘hij hem maakt tot een versterkte stad,
een ijzeren zuil, een koperen muur’. Vanwaar tenslotte de zekerheid
van Jeremia? Uit zijn groeiende besef dat, hoe moeilijk de situatie
ook is, ze toch niet zonder uitkomst is. Er is een lichtpunt. God
verlaat hem niet. Jeremia laat God dan ook zeggen: ‘Ik ben bij u om
u te redden’.
God blijft ook bij ons. Blijven wij dan ook bij
God, zoals Jeremia.
Jaak Vandenbulcke o.p.
|
| |